dinsdag 28 september 2010

Over lectuur, literatuur, recensenten en een prachtig boek…

Eigenlijk zette de vraag mij meer aan het denken dan me op dat moment lief was. ‘Kun je een samenvatting over jouw nieuwste boek schrijven? Tien pagina’s. Maar het moet wel een literair stuk zijn, want het is bedoeld voor een literair tijdschrift’.

Tja, een literaire samenvatting maken van een boek dat je zelf bovenal als lectuur ziet. Hoe doe je dat? Wat mooiere en langere zinnen maken? Wat ‘duurdere’ woorden er in zetten? Het allemaal wat minder toegankelijk maken voor het grote publiek? Ik besloot het bij een gewone samenvatting te houden. Gewoon in mijn eigen woorden en in mijn eigen stijl. En ja hoor, tot mijn verbazing werd dat literair genoeg bevonden.
    Literatuur, wat is dat eigenlijk?
      Dat is een vraag van alle tijden, die, zo blijkt elke keer weer, niet sluitend is te beantwoorden. Bovendien zijn de meningen er nogal verdeeld over.
        ‘Tot de literatuur behoren teksten die voor jou niet alleen waarde hebben als ontspanning en plezierig tijdverdrijf, maar die ook op een andere manier belangrijk zijn’. Dat althans zeggen mensen die daarvoor hebben gestudeerd. En: ‘Om literair te zijn moet je boek ontroeren en moet de lezer de neiging hebben om het later nog een keer te lezen. Bij die herlezing moet de lezer dan weer allerlei nieuwe dingen in het verhaal ontdekken’. Of: ‘Een literair boek zet je aan het denken over een onderwerp dat daarna nog een tijdje in je hoofd blijft hangen’.
          Er zijn nog veel meer definities van literatuur. Een kleine greep uit wat ik zoal tegen kwam:
          • ‘Creatief schrijven dat algemeen beschouwd wordt als waardevol’.
          • ‘Geschreven werk dat gewaardeerd wordt vanwege vorm en stijl’.
          • ‘Werk dat door de schrijver is bedoeld om gelezen te worden op een esthetische manier’.
          • ‘Teksten die de taal veranderen en verrijken en die ons bewust maken van de waarde van de taal’.
          En wat moet literatuur met ons doen?
            • ‘Literatuur helpt ons te groeien, zowel persoonlijk als intellectueel’.
            • ‘Literatuur helpt ons het leven en de wereld te begrijpen, in cultureel, filosofisch en religieus opzicht’.
            • ‘Literatuur is een van de dingen die ons vormen in het leven’.
            Pfff…het is nogal wat voordat je als auteur het woordje literair voor je naam kunt zetten. En dan nog kan er over gediscussieerd worden. Omdat ook smaken nu eenmaal verschillen.
              Waarom zijn de boeken van Arnold Grunberg literair? Ik vind er persoonlijk niets aan en ze doen ook niets met mij. Persoonlijk dus. Waarom werd ik lang geleden op school gedwongen om De Avonden van Gerard Reve te lezen? Ben ik daardoor de wereld beter gaan begrijpen, werd ik er door gevormd? Niet dat ik mij kan herinneren. Ik vond het gewoon een oersaai boek. Maar dat, zei de leraar, maakte het juist literair, want dat was nu juist de essentie van het boek.
                Naast literatuur heb je dus lectuur. Dat wordt, ietwat denigrerend, ook wel leesvoer genoemd. Wat mij betreft niets mis mee. Mijn eigen boek over het turbulente leven van Teun van Vliet is leesvoer, voor iedereen toegankelijk. Het is een misvatting dat lectuur over het algemeen wordt gezien als oppervlakkig of voorspelbaar. Je kunt alles over Teun van Vliet zeggen, maar oppervlakkig of voorspelbaar is zijn verhaal zeker niet. Integendeel zelfs. Maar het bevat geen vernieuwend taalgebruik. Een andere redenen waarom het niet langs de literaire meetlat gelegd kan worden.
                  Die meetlat kan mij persoonlijk gestolen worden. Als het althans over mijn boeken gaat. Als ze maar gewoon gelezen worden. En als de lezer er maar gewoon van geniet.
                    De aanleiding om toch aan dit blog te beginnen is dan ook juist een recent werk van iemand anders, iemand die ik bijzonder hoog heb zitten. Een boek dat ontroerde, dat mij het leven en een andere wereld beter deed begrijpen, in cultureel, filosofisch en religieus opzicht. Een boek dat niet alleen plezierig en ontspannend las, maar ook op een andere manier belangrijk was. Ik ga het binnenkort nog een keer lezen en ik weet zeker dat ik er dan weer nieuwe dingen in ontdek. Een boek dat me aan het denken heeft gezet en nog steeds in mijn hoofd blijft hangen. Een boek met prachtig mooi taalgebruik. Kortom, gezien alle bovenstaande definities in alle opzichten een literair werk. En nog spannend ook!
                      Ik heb het, zoals dat oneerbiedig heet, in één ruk uitgelezen. Toch is er met dit boek iets vreemds aan de hand. In zowel de Volkskrant als NRC Next kreeg het een beoordeling waarmee het volledig onrecht werd aangedaan.
                        De kritieken: Mensen zouden het boek lezen vanwege de aantrekkingskracht en de persoonlijkheid van de auteur en niet omwille van de inhoud en schrijfstijl. En het zou bovenal gaan over het streven van een twaalfjarig meisje naar menstruatie.
                          Het lezen van beide recensies riep bij mij direct al het vermoeden op dat beide recensenten niet eens de moeite hadden genomen om het boek echt helemaal te lezen. Blijkbaar hadden ze er alleen maar vliegensvlug ‘horizontaal’ doorheen gebladerd. Waardoor ze niet alleen niet over de inhoud en de schrijfstijl konden oordelen, maar ook met de woorden ‘streven naar menstruatie’ volledig de plank mis sloegen. Dat komt in het begin en aan het einde immers maar heel even ter sprake.
                            De kritieken dekten op geen enkele manier de lading en leken meer op de persoon, dan op het boek gericht.
                              Beide recensies deden mij denken aan mijn jonge studentenjaren in Amsterdam, toen ik een frequent bezoeker van concerten was. Het ene nog mooier dan het andere. Maar elke keer weer las ik de volgende dag in de Volkskrant een vernietigende kritiek. Vijftigduizend mensen hadden genoten, maar de recensente van de krant vond het nodig om elke keer weer haar pen in azijn te dompelen en schepte er blijkbaar een genoegen in om dat wat ze zelf niet kon top op het bot af te kraken.
                                Toen al wilde ik journalist worden en in de 31 jaar dat ik dit ook daadwerkelijk ben geweest, heb ik jammer genoeg vaak gezien dat er met het gros van de recensenten in Nederland iets structureel mis is. Of is het gewoon typisch Nederlands om kritiek per definitie in het negatieve te trekken? Is het typisch Nederlands om wat echt goed is per definitie neer te sabelen? Zijn we in dit land vergeten dat je ook opbouwende kritiek kunt leveren? Mag je in dit land nog wel iets gewoon mooi vinden? Of moeten miljoenen lezers en/of concertgangers tot de orde geroepen worden?
                                  ‘Dit boek had in de knop gebroken moeten worden’, durfde de recensent van NRC Next zelfs te schrijven. Het zal maar van je ‘kindje’ gezegd worden.
                                    Wat is er mis met deze auteur die miljoenen lezers heeft, waarvan elk nieuw boek opnieuw ook een bestseller is? Met dat talent dat de lezers elke keer weer weet te verrassen, te ontroeren, te raken, aan zich te binden? Komt het omdat ze niet in Nederland is geboren en getogen, maar toch in ‘onze’ taal schrijft? Zou ze, vooral omdat ze dat zo goed doet, niet juist daarom extra geprezen moeten worden?
                                      Komt het omdat ze weigert aan te schuiven in die kliek die elkaar telkens weer ‘het balletje’ toeschuift, die elkaar in stand houdt en voedt? Omdat ze bij niemand ‘op schoot’ gaat zitten, het woord ‘zuiverheid’ hoog in het vaandel heeft staan?
                                        Wat is er mis met deze auteur die nooit slecht praat over anderen, die altijd opbouwend bezig is, die nederigheid tot kunst heeft verheven? Met die persoon die – je zou bijna denken ‘helaas’ – niet lelijk of op z’n minst scheel is? Alsof mensen een boek gaan lezen vanwege het uiterlijk – lees: aantrekkingskracht en persoonlijkheid – van de auteur. Kom nou toch recensent van de Volkskrant. Minacht je eigen lezers niet zo!
                                          Nee, er is dus helemaal niets mis met deze auteur, die onkreukbaar, goedaardig en oprecht is. En er is ook helemaal niets mis met haar boek. Er is veel eerder iets mis met de doorsnee recensent, die afkraken tot norm heeft verheven en opbouwen te moeilijk vindt om in leuke woorden te vatten.
                                            In recensentenland Nederland regeert Koning Zuurpruim, de meest jaloerse onder alle vorsten, want jaloezie is, zo weet ik na al die jaren werken bij de krant, ook een foute drijfveer van menig recensent.
                                              Veel mensen vinden dat er over smaak en waarde niet te twisten valt. Ik ben het daar niet mee eens.
                                                Een goede recensent heeft de kennis en wijsheid, inclusief de mensenkennis om te weten wat zijn lezers willen zien of lezen. Hij weet waarover hij schrijft, hij kent en begrijpt het werk waar hij over schrijft. Hij kent en begrijpt de maker en zijn beweegredenen, waardoor hij het werk in de juiste context kan plaatsen. Daarvoor moet hij ook het grootste deel van het oeuvre van de maker en dat van andere werken van andere makers in dezelfde stroming kennen. Bij het recenseren zelf is hij kritisch, maar nooit expliciet negatief of expliciet positief. Hij laat de eindkeuze ook aan de lezer zelf over.
                                                  Dat vergt dus nogal wat van een recensent en helaas hebben we in Nederland te weinig recensenten van formaat.
                                                    Bij kwaliteitskranten als de Volkskrant of NRC Next verwacht je op z’n minst recensenten van niveau. Helaas was dat beide keren niet het geval. Misschien is de auteur en het boek wel te goed voor Nederland.
                                                      Voor de goede orde: Dit stukje is slechts simpele lectuur. Ik heb niet nagedacht over de zinnen, de woorden of wat dan ook. En ik heb, een enkele uitzondering daargelaten, ook geen last gehad van negatieve en/of onterechte kritieken op mijn boeken. Ik heb deze blog snel en spontaan geschreven vanuit mijn buikgevoel. En dat buikgevoel schreeuwde dat deze auteur en dit boek echt enorm tekort is gedaan.

                                                      In mijn – let wel: mijn – ogen is juist dit een literair meesterwerk. Dus… gewoon eerst maar eens kopen dat boek. En dan zelf oordelen! Want het kan en mag toch niet gebeuren dat het op verzoek van een recensent alsnog in de knop wordt gebroken.

                                                      • O ja… Over wie en wat ik het hier heb?
                                                      • Over Wilde Rozen van Lulu Wang!

                                                      maandag 6 september 2010

                                                      Strijdend tegen kanker

                                                      Pelgrims op dezelfde reis, strijdend tegen kanker

                                                      Als Teun van Vliet speciaal voor haar het boek over zijn leven heeft gesigneerd, trekt ze ons naar zich toe, buigt voorover en fluistert in onze oren. Haar stem klinkt als het gedempte geluid van de zee tussen de luisterende palmbomen door. Haar blik is versluierd met mist en regen, maar toch, haar zachte, warme handen voelen aan als de zon. Onlangs heeft ze haar dochter van 15 jaar verloren. Hersentumor. Daarom is ze hier. Om te fietsen voor het goede doel, KWF Kankerbestrijding. En om Teun van Vliet te ontmoeten, die dezelfde ziekte op zo’n wonderbaarlijke manier heeft overleefd. Haar geluk heeft een hoog prikkeldraadgehalte. Maar ze gaat door. Ze moet doorgaan. Vanwege haar man en natuurlijk vooral voor haar andere kind, dat gehandicapt is.
                                                        Zijn gezicht getuigt van een hoog kwakkelgehalte, te veel nacht, te weinig zon. Hij heeft een sterk gevoel voor ingetogenheid. En ook hij verzet zich niet meer tegen de opwellende tranen als hij Teun van Vliet vertelt over zijn geliefde, die ook aan die vreselijke ziekte is overleden. Drie vrienden staan hem bij, spreken troostende woorden, want troost is wat velen hier nodig hebben. Troost, begrip en vooral ook hoop. Hoop op een betere toekomst, op betere behandelmethodes, op minder dodelijke slachtoffers. Al is het dan voor hun of voor hun dierbaren te laat, in het land van de hoop is het nooit winter. En als er in de toekomst nieuwe en betere behandelmethodes worden ontdekt, dan zorgt dat in elk geval voor een verlate balsem op hun zo beproefde ziel.
                                                          Wielrennen is over het algemeen een machowereld, waar getuigenissen van zwakheid niet serieus worden genomen. Oud-profwielrenner Teun van Vliet weet daar alles van, kent die wereld immers van binnenuit. Maar ook hij laat zijn tranen nu gewoon over de wangen rollen, want wie weet er beter dan hij wat deze mensen allemaal mee maken, moeten doorstaan? Drie keer heeft hij de dood onder ogen gezien, de laatste keer, inmiddels alweer bijna vijf jaar geleden, kreeg hij zelfs te horen dat hij nog maximaal één jaar had te leven. Glioblastoom Multiforme Graad IV, de ergste hersentumor in zijn soort.
                                                            Maar ook dit jaar is hij dus weer ‘gewoon’ bij de Ride for the Roses. Om middels deze fietstocht opnieuw geld in te zamelen voor KWF Kankerbestrijding. De Ride for the Roses (een initiatief van Lance Armstrong) is inmiddels een begrip binnen de Nederlandse wielerwereld. In de ‘cycletour’ wordt er van start tot finish gereden door een groot peloton van duizenden wielrenners met een gemiddelde snelheid van 28 tot 30 kilometer per uur. Dit onder volledige politiebegeleiding en over een afgezette weg.
                                                              Op een sportieve, gezonde en plezierige manier bezig zijn en tegelijkertijd iets doen tegen kanker. Samen met duizenden anderen een sportieve prestatie leveren. Als manier van kankerbestrijding. Ter nagedachtenis aan iemand die aan kanker is overleden. Als steun in de rug van iemand die tegen kanker vecht. Of gewoon omdat je het doel een warm hart toedraagt. Teun van Vliet is er dit jaar ook als ambassadeur van de nieuwe stichting Topsport for Life, een initiatief van een aantal (ex)topsporters, die zich inzetten voor mensen met een levensbedreigende ziekte. Het is hun doel om mensen die zeer ernstig ziek zijn een in alle opzichten ‘beter’ leven te geven.
                                                                Teun is het boegbeeld van Topsport for Life. Hij heeft vandaag, ondanks zijn beperkingen, 55 kilometer meegefietst en gaat daarna nog eens alle tijd nemen voor een signeersessie voor zijn boek ‘Drank, vrouwen, de koers en de dood’, waarvan de opbrengst naar het goede doel gaat. Schrijven kan hij amper meer, maar hij doet het toch. ,,Voor wie is dit bedoeld? Voor Ingrid?” Met engelengeduld probeert hij de letters van de naam te schrijven.
                                                                  Er staat dan ook al snel een lange rij voor de stand van Topsport for Life. Vooral nadat hij op het grote podium heeft gestaan. Waar de film van het liedje, dat ex-profvoetballer Bjorn van der Doelen over Teun van Vliet heeft gemaakt, wordt vertoond. Waar de kleine, grote man een lange en almaar aanzwellende ovatie in ontvangst mag nemen. Mooie emoties zijn het gevolg. Zowel op het podium als in de zaal, waar velen Van Vliet als een voorbeeld zien. Ook al omdat hij ondanks alles nog steeds zo positief in het leven staat.
                                                                    Vaak staat Teun van Vliet fier overeind in een oceaan vol twijfels, maar hier, in dit gezelschap mag en durft hij zichzelf ook te laten gaan. Want in de hallen van de bloemenveiling FloraHolland in Venlo hebben zich allemaal ‘pelgrims’ verzameld op dezelfde reis. Sommigen hebben betere wegenkaarten dan anderen, maar allemaal hebben ze ‘iets’ met kanker. Ruim tienduizend mensen zijn er speciaal met hun fietsen voor naar Limburg gekomen. Zij brengen ruim acht ton voor elkaar. Geld dat deze keer is bedoeld voor onderzoek naar dikke darmkanker.
                                                                      Nederland heeft, zo blijkt aan het einde van een lange dag, als de rij voor de stand van Topsport for Life nog steeds niet afneemt, maar weer eens, zijn eigen Lance Armstrong. Teun van Vliet neemt voor iedereen de tijd, troost waar getroost moet worden, lacht waar gelachen wordt, toont begrip, huilt en is bovenal een van hun. Pelgrims op dezelfde reis. Strijdend tegen kanker.
                                                                        roses4.jpg
                                                                        • Voor meer informatie over Topsport for Life of voor het bestellen van door Teun van Vliet zelf gesigneerde boeken zie: www.topsportforlife.nl

                                                                          zaterdag 5 juni 2010

                                                                          De strijkstokken van de goede doelen

                                                                          Laveren langs de strijkstokken van de goede doelen

                                                                          Augustus 2010: Meer dan 367 miljoen euro, bestemd voor de wederopbouw van gebieden in Pakistan die in 2005 door een aardbeving zijn getroffen is anders besteed. De Pakistaanse overheid heeft veel van de hulpgelden aan andere overheidsprojecten uitgegeven.

                                                                          September 2010: Ongeveer de helft van de hulp van het Wereldvoedselprogramma (WFP) voor noodlijdende Somaliërs komt niet op de plaats van bestemming aan. Een groot deel zou in de zakken van lokale distributeurs verdwijnen, van wie er enkelen inmiddels gelden als de rijkste mensen van het land. Dat blijkt uit onderzoek van de Verenigde Naties.

                                                                          Zomaar twee berichten uit het zeer recente nieuws. Nieuw nieuws, maar ergens eigenlijk oud nieuws, meer nog niets nieuws zelfs. Met grote landelijke of internationale inzamelingsacties of overheidsgiften gaat het maar al te vaak niet goed.
                                                                          Heeft u ook wel eens voor de televisie naar een inzamelingsactie voor slachtoffers van een ramp zitten kijken en bij het zien van de meest vreselijke beelden uiteindelijk toch maar de beurs getrokken? Was u dan ook zo trots als u op het einde van de avond zag hoe gul wij als Nederlanders waren geweest, hoe groot het bedrag was dat wij met z’n allen toch maar mooi hadden opgehoest? En heeft u zich ook wel eens maanden of zelfs jaren later afgevraagd wat er met al dat geld eigenlijk werkelijk was gebeurd? Zeker als er hier en daar berichten door sijpelden als hierboven.

                                                                          De strijkstok is de kwelgeest van de goede doelensector. Het goede doel lijdt aan het syndroom van de strijkstok. Zowel ‘buiten de deur’ als ‘binnenskamers’, waar berichten over ‘dure campagnes’, ‘foute’ uitgaven’ en ‘riante’ salarissen (zie het lijstje van de jaarsalarissen van de directeuren van Nederlandse goede doelen in een van de bijlagen onder aan dit verhaal) de donateur steeds meer in het verkeerde keelgat schieten. En terecht! Het valt niet mee om een goed doel financieel te ondersteunen, om, als welwillende, maar vaak onwetende, weldoener langs die strijkstokken te laveren.

                                                                          Uit schattingen blijkt dat er ongeveer 9000 goede doelen in Nederland zijn. Het is niet gemakkelijk om daar op een fatsoenlijke en betrouwbare manier uit te kiezen. Dus kiezen we vaak automatisch voor de groten, voor de bekenden. Persoonlijk ben ik daar van teruggekomen. Ik heb voor mezelf besloten om eventueel nog wel naar die inzamelingsacties te kijken, maar me er niet meer door te laten ‘verleiden’. Althans niet door het gironummer dat dan in beeld komt. Ik ga in dergelijke gevallen tegenwoordig liever op zoek naar privé-initiatieven, liefst van mensen binnen het eigen netwerk, van vrienden van vrienden, bekenden van kennissen, van mensen voor wie goede doelen geen big business is, van individuen die goede doelen ‘doen’ vanuit hun hart, belangeloos, gewoon omdat het moet, omdat het nodig is.

                                                                          Die mensen zijn er altijd wel te vinden. Zo was er die vrouw met wie ik via-via in contact kwam na de Tsunami-ramp Kerstmis 2004. Terwijl een deel van het geld van de grootste nationale inzamelingsactie ooit nog steeds vast stond op diverse rekeningen en er zelfs al een deel ‘zoek’ of in elk geval ‘niet meer traceerbaar’ was, had deze pronte dame al lang en breed haar mouwen opgestroopt en was meteen naar het noordelijke puntje van Sumatra, naar de stad Banda Atjeh, waar alleen al 200.000 doden waren gevallen, getrokken. Ze was daar haar particulier ingezamelde geld ter plekke gaan brengen, toezicht gaan houden en zelf gaan helpen. Via internet koppelde ze wekelijks aan de gevers terug wat ze deed, wat er gebeurde en waar hun geld aan werd besteed.

                                                                          Kleinschalig, maar wel effectief. En de dame in kwestie hoefde geen salaris, bestierde geen peperduur kantoorgebouw, sliep gewoon bij de weeskinderen op het provisorische zaaltje, knuffelde ze, werd een met ze.

                                                                          Die kleinschaligheid, dat dicht-bij-huis-gevoel en die betrouwbaarheid zocht ik zelf ook toen ik besloot de opbrengst van mijn twee laatste boeken aan een goed doel te besteden. Omdat een van de twee boeken het levensverhaal van oud-wielrenner en kankerpatiënt Teun van Vliet betrof, verdiepte ik mij in de nieuwe stichting waarvan hij zelf net ambassadeur was geworden: Topsport for Life. En zo liep ik Miel in ’t Zand tegen het lijf, die al maanden volstrekt belangeloos fulltime bezig was voor ‘anderen’, die vol mooie ideeën zat en die strijkstokvrij bleek te zijn.

                                                                          Hij zamelde geld in voor kankerpatiënten op Alpe d’Huez en bezorgde doodzieke en opgegeven mensen een geweldige VIP-dag bij de start van de Tour de France in Rotterdam. Via hem ben ik opeens ook gaan zien hoe bekende ‘goede doelen’ elkaar bij grote ‘evenementen’ de tent uit kunnen vechten, elkaar het licht niet in de ogen gunnen en zeker geen plaats laten voor de kleintjes.

                                                                          Het deed me denken aan de conference van NUHR, de groep van Peter Heerschop, Viggo Waas, Joep van Deudekom en Eddie Wahr, in hun hilarische programma Natuurlijke Selectie, (waarvan ik hieronder als bijlage ook een fragment toevoeg). Toegegeven, dat is cabaret, maar is cabaret niet ook vaak gewoon een uitvergroting van zaken die ‘uit het leven gegrepen’ zijn?

                                                                          Het valt in elk geval niet mee om als klein goede doel een weg te vinden en overeind te blijven in de grote doelenwereld. Maar het is de moeite waard, ook en vooral voor ons, om op zoek te blijven gaan naar dergelijke mensen. Om zeker te weten dat je goede doelengeld goed terecht komt. We hebben altijd de neiging om in het groot te denken. Maar vaak zit die grootheid juist in het kleine, al heb je daar uiteraard ook heel wat charlatans tussen zitten. Het is de kunst om de goeden er uit te filteren. Daar kun je voor jezelf een sport van maken.

                                                                          Natuurlijk kun je die vrouw die haar mouwen opstroopte en met haar stoute schoenen afreisde naar Banda Atjeh niet een-op-een vergelijken met die man die terminale patiënten de dag van hun nog maar zo korte leven bezorgde tijdens een evenement als de Tour de France. Maar allebei hebben ze één ding gemeen: Als je als gever probeert te laveren langs de strijkstokken van de goede doelen, dan moet je bij dat soort types zijn. Zoek ze maar. Zoek het in het kleine, in het particuliere, maar vooral ook in het grote hart. Zoek en voel, voel met je buik, dan voel je goed, doe je goed. Want ze zijn er echt!

                                                                          Bijlage 1:
                                                                          Hoeveel verdienen directeuren van goede doelen?
                                                                          Amnesty: Eduard Nazarski € 122.183,–
                                                                          Astmafonds: Michael Rutgers € 125.000,–
                                                                          Cliniclowns: Hans Geel € 92.609,–
                                                                          Cordaid: René Grotenhuis € 119.387,–
                                                                          Greenpeace: Liesbeth van Tongeren € 101.465,–
                                                                          Hartstichting: Hans Stam € 140.812,–
                                                                          Hivos: Manuela Monteiro € 103.503,–
                                                                          Kerk in Actie: Haaije Feenstra € 115.381,–
                                                                          KWF Kankerfonds: Ton Hanselaar € 179.788,–
                                                                          Liliana Fonds: Kees van den Broek € 92.016,–
                                                                          Prins Bernhard Cultuurfonds: Adriana Esmeijer € 168.130,–
                                                                          SOS Kinderdorpen: Marcel Beerthuizen € 105.400,–
                                                                          Terre des Hommes: Ron van Huizen € 103.369,–
                                                                          Unicef: Jan Bouke Wijbrandi € 121.122,–
                                                                          War Child: Mark Vogt € 90.830,–
                                                                          Wereld Natuur Fonds: Johan van de Gronden € 144.165,–
                                                                          Zonnebloem: Marijke van Eck € 127.100,–
                                                                          Bijlage 2:
                                                                          Uit Natuurlijke Selectie, het theaterprogramma van NUHR.

                                                                          Willie: Jij zit toch bij Warchild?
                                                                          • Hennie: Ja, van Marco Borsato he. Heerlijk werk.
                                                                          Willie: Zelf zit ik bij Right to Play.
                                                                          • Hennie: Dat is toch iets met sport?
                                                                          Willie: Sporten met kinderen in de Derde Wereld. Begonnen door o.a. Johann Olav Koss, de Noorse schaatser.
                                                                          • Hennie: Is volgens mij minder bekend dan Marco Borsato.
                                                                          Willie: Ja, in Nederland. Doet er ook niet toe. Wij kwamen laatst met Right to Play aan in Darfur. Ik weet niet of je dat kent?
                                                                          • Hennie: Ja, dat is dat vliegveldje met die hele korte landingsbaan…
                                                                          Willie: Ja, nou wij kwamen daar aan met Right to Play met 4 grote containers vol met sportspullen en jullie van Warchild waren er ook al.
                                                                          • Hennie: Dat klopt. Wij waren lekker aan het voetballen met die kindsoldaten. Zo, die kunnen hard schieten zeg. Maar het mooie van het werk is, je ziet ze gewoon weer kind worden.
                                                                          Willie: Ja, dat is heel mooi, maar je weet dat Warchild eigenlijk is bedoeld voor creatieve dingetjes met kindsoldaten. Knutselen, tekenen, muziek maken…
                                                                          • Hennie: Ja, Marco he.
                                                                          Willie: En wij van Right to Play doen de sport. Dus als jullie aan het voetballen zijn met kindsoldaten zitten jullie doodordinair in onze vijver te vissen.
                                                                          • Hennie: Wat maakt dat nou uit?
                                                                          Willie: Dat maakt heel veel uit. Wij moeten toch ook op de een of andere wijze ons budget op zien te maken?
                                                                          • Tonnie: Wij gingen met het Rode Kruis in Ethiopië waterputten slaan omdat die vrouwen daar elke dag 3 uur moesten lopen met emmers water op hun hoofd. Staan we daar met grote hamers en boren putten te slaan blijkt er door een andere organisatie al een complete waterleiding aangelegd. Elke hut warm en koud stromend water en een mengkraan.
                                                                          Willie: Waren zeker de jongens van Memisa?
                                                                          • Tonnie: Nee Unicef. Maar goed, we moesten dus eerst die hele bende er weer uit slopen.
                                                                          • Hennie: Hebben jullie gewoon die waterputten aangelegd?
                                                                          • Tonnie: Tuurlijk, want als ik mijn budget niet op maak worden we volgend jaar gekort. En wat dacht je van aids?
                                                                          Willie: Ik zit er niet op te wachten.
                                                                          • Tonnie: Ik heb met Artsen Zonder Grenzen twee jaar lang gelobbyd voor goedkope aidsremmers. Komen we aan in Zambia. Wat denk je? Hele land bezaaid met gratis condooms van het Aidsfonds.
                                                                          Willie: Totaal kut natuurlijk.
                                                                          • Tonnie: Nou, we hebben gewoon een stuk of 50 besmette lokale negers ingezet om die aids gewoon weer te verspreiden. Je moet wel. Je moet je budget op krijgen.

                                                                          zaterdag 6 maart 2010

                                                                          Noodkreet vanaf een gehandicapte werkvloer

                                                                          Sorry, maar die tenaamstelling kan zo niet, uw dochter zal een aparte en nieuwe rekening bij ons moeten openen. We kijken de dame achter de balie van de bank verbijsterd aan. Het is alweer de vierde keer dat we hier staan. Evenzo vaak hebben we gebeld met de afdeling die hier over gaat. Een doktersverklaring, de schriftelijke uitspraak van de kantonrechter, nog een aantal ingevulde formulieren, paspoorten, we hebben alles bij ons. We waren ook alle stations al gepasseerd. Het enige wat we nog even moesten doen was onze zwaar gehandicapte dochter showen. En dan zouden we de benodigde stempels op al die formulieren krijgen. Nu wordt er toch weer moeilijk gedaan. Moeten we alles alweer uitleggen, ons zelfs verdedigen. Opeens wellen er tranen op. Van woede, van onbegrip. Van vernedering ook.
                                                                            We kijken naar Brigitte. Die lacht haar gulle lach. Ze heeft de mooiste en stralendste ogen van de wereld. Als je haar alleen al ziet, moet je wel van haar houden, ook al kan ze verder niets, niet lopen, niet staan, niet praten, niet rechtop zitten, niet zelf eten of gericht iets vast pakken. Het is nu al de derde keer in korte tijd dat gevoelloze regelvolgers blijkbaar niet durven te kijken. Of mogen ze het niet? Vooral niet laten zien dat je gevoel hebt, want dan vlieg je er uit!
                                                                              Eenentwintig jaar geleden werd Brigitte geboren. Microcefalie luidde in medische termen de diagnose. Ze zou wellicht niet ouder dan twee jaar worden. Jaren van vechten volgden. Tegen neurologen, tegen artsen die haar wilden laten opnemen omdat ze zo n zeldzame afwijking had dat het interessant was als studiemateriaal. Tegen sondevoeding. Tegen epileptische aanvallen. Chronisch slaapgebrek. Maar we sloegen ons er doorheen. Namen alle zorg zelf ter hand, gingen onze eigen weg en boekten veel resultaten, hielden zelfs die sondevoeding buiten de deur. Door liefde te geven, dat vooral, ouderlijke liefde, zorgzame liefde, gewoon, pure liefde vanuit het hart, met een niet aflatend geduld.
                                                                                Maar de trilogie van de dame bij de bank begint al als we met ons kind op vakantie willen gaan en ze een eigen paspoort nodig blijkt te hebben. De pasfoto van haar wordt afgekeurd! Ze lacht en dat mag niet meneer. Ze kijkt rechtuit en ze moet opzij kijken. Brigitte kan niet serieus kijken. Ze laat haar hoofdje hangen of ze kijkt je aan en lacht haar stralende en betoverende lach, haar belangrijkste en enige wapen om anderen voor zich te winnen. Het is onmogelijk om een pasfoto van haar te laten maken die voldoet aan de richtlijnen. Maar ook deze dame achter dit loket, deze keer dat van het stadskantoor, is onvermurwbaar.
                                                                                  Na de nodige zelfwerkzaamheid slagen we er tenslotte toch in een foto voor elkaar te krijgen die met pijn en moeite door de beugel kan. Maar zelfs dan zijn we er nog niet. Want als we haar paspoort eindelijk kunnen ophalen moet ze weer mee komen. En zelf een handtekening zetten! Dat kan ze niet, dat ziet u toch mevrouw, kijk dan even alsjeblieft wie hier voor u zit in haar rolstoel. Regels zijn regels meneer. En dus pakken we een pen in onze hand, pakken het handje van Brigitte vast en zetten zo samen een krabbeltje.
                                                                                    Het vervolg is een brief die met zo n krabbeltje heeft te maken. Van de kantonrechter. Eenentwintig jaar lang hebben we alles voor Brigitte gedaan, alles voor haar geregeld, helemaal zelf. Maar nu ze deze leeftijd heeft bereikt mag dat opeens niet zomaar meer. We moeten zowaar voor de rechtbank verschijnen met haar, want willen we doorgaan met ons dagelijkse leven samen, dan moeten we eerst het bewindvoerderschap aanvragen. Dan kunnen we in het vervolg ook namens haar een handtekening zetten. Makkelijk toch?
                                                                                      Pfff, dat moet dan maar. Een schriftelijk bewijs van toestemming van onze andere kinderen voorleggen, uiteraard weer een doktersverklaring, Brigitte showen, nog wat andere formulieren, natuurlijk eerst alvast even 112 euro administratiekosten betalen en dan mogen we voor de kantonrechter verschijnen en onze argumenten duidelijk maken. Uiteraard met onze Brigitte in haar grote rolstoel voorop.
                                                                                        De kantonrechter zet tenslotte zijn handtekening. Klaar? Nee, het gaat, zo blijkt, nu pas beginnen. In het vervolg moeten we alle uitgaven die we voor haar doen voorleggen, alles, maar dan ook alles wat we ondernemen met ons lieve kind, verantwoorden. Haar administratie was al een dagtaak, nu komt er alleen nog maar meer bij. Ten einde raad sturen we de rechter een brief, waarin we alles nog eens uitleggen en om enige coulance vragen. Na enige weken komt een antwoord. Er is uiteraard begrip voor onze situatie, maar: De toezichthoudende taak over Brigitte is door de wetgever aan de kantonrechter overgedragen en daarop kan geen uitzondering worden gemaakt. Regels zijn regels.
                                                                                          Brigitte heeft een kleine Wajong-uitkering, dus inkomsten. Wij moeten nu telkens weer gaan aantonen, bewijzen, dat we die ook aan haar besteden. Bovendien moet de aparte bankrekening die we al vele jaren voor haar hebben en die we hebben genomen om het allemaal zo overzichtelijk mogelijk te houden, van de kantonrechter nu op haar eigen naam worden gezet. En ook dat is weer een probleem. Daar, aan de balie van de bank, vragen we ons die dag tussen de tranen door af, waarom we dan al dat gedoe om haar bewindvoerderschap hebben moeten doorstaan, als we nu nog niet namens haar mogen handelen, als we weer allerlei aanvragen moeten doen, allerlei brieven moeten voorleggen en voor de stempels op die brieven Brigitte alweer moeten showen.
                                                                                            Ons mooie, prachtige meisje is al 21 jaar hetzelfde en wij trekken al 21 jaar dag en nacht met haar op. Ze kan stralen als geen ander en we hebben altijd alles zelf voor haar gedaan. De overheid maakt van die liefdevolle zorg van ouders een koel en zakelijk iets. Hoeveel kost die speciale melk die we telkens voor haar moeten kopen eigenlijk, die kleren waar het vaak zo naar zoeken is omdat ze nogal spastisch is en een simpele broek met ritssluiting niet echt handig is? De luiers, de zalfjes, de kwijldoekjes die ze als geen ander verslijt, de middeltjes, de speciale dingen? Hoeveel kilometers leggen we eigenlijk met haar af in de auto? Een apart doosje maar weer voor alle bonnetjes?
                                                                                              Hoeveel hebben we de laatste jaren al aan eigen ziektekosten moeten betalen omdat we vanwege rugklachten veroorzaakt door de zorg voor Brigitte, vaker naar de manuele therapeut moesten dan werd vergoed? Moeten we ook opgeven dat de moeder minder is gaan werken omdat het allemaal niet meer te combineren was met de zorg voor Brigitte? Dat de vader zelfs uiteindelijk is gestopt, toen hij werd geveld door een burnout? Al dat verlies aan inkomsten. Tegenover al die besparingen van de overheid, want als Brigitte in een tehuis zou zijn geplaatst had dat de staat behoorlijk veel geld gekost.
                                                                                                Regels zijn regels in dit land, waar je maar beter niet zwaar gehandicapt kunt zijn. En ook niet de ouders van zo iemand. Regels zijn regels en er moet bovendien volop bezuinigd worden. De politieke partijen smijten de komende maanden weer met geld uit hun verkiezingskassen. We hebben al vele verkiezingen meegemaakt en vaak gestemd op een partij die beloofde iets aan de toestanden in de zorg te doen. Maar elke keer werd het alleen maar erger, voorbeelden te over, zelfs met de dood tot gevolg, enkel en alleen vanwege de gebrekkige zorg, het wegbezuinigen van personeel in de zorg. Terwijl zorginstellingen miljoenen winst maken, maar dat is natuurlijk nodig ook als je een deel van het in IJsland belegde geld zomaar opeens bent kwijtgeraakt.
                                                                                                  Verhalen genoeg te vertellen. Maar wat schiet je ermee op? Nederland regelt zichzelf naar een status die lager is dan die van het gemiddelde ontwikkelingland. En er is niemand die er iets aan doet, alle partijbeloftes ten spijt.
                                                                                                    Brigitte is 21 jaar geworden en dat zullen de ouders weten ook. Misschien is emigreren de laatste, vertwijfelde, maar uiteindelijk enige rustgevende uitkomst, om normaal voor je kind te kunnen zorgen, een kind dat vele malen minder gehandicapt is dan de Nederlandse overheid.