zaterdag 5 juni 2010

De strijkstokken van de goede doelen

Laveren langs de strijkstokken van de goede doelen

Augustus 2010: Meer dan 367 miljoen euro, bestemd voor de wederopbouw van gebieden in Pakistan die in 2005 door een aardbeving zijn getroffen is anders besteed. De Pakistaanse overheid heeft veel van de hulpgelden aan andere overheidsprojecten uitgegeven.

September 2010: Ongeveer de helft van de hulp van het Wereldvoedselprogramma (WFP) voor noodlijdende Somaliërs komt niet op de plaats van bestemming aan. Een groot deel zou in de zakken van lokale distributeurs verdwijnen, van wie er enkelen inmiddels gelden als de rijkste mensen van het land. Dat blijkt uit onderzoek van de Verenigde Naties.

Zomaar twee berichten uit het zeer recente nieuws. Nieuw nieuws, maar ergens eigenlijk oud nieuws, meer nog niets nieuws zelfs. Met grote landelijke of internationale inzamelingsacties of overheidsgiften gaat het maar al te vaak niet goed.
Heeft u ook wel eens voor de televisie naar een inzamelingsactie voor slachtoffers van een ramp zitten kijken en bij het zien van de meest vreselijke beelden uiteindelijk toch maar de beurs getrokken? Was u dan ook zo trots als u op het einde van de avond zag hoe gul wij als Nederlanders waren geweest, hoe groot het bedrag was dat wij met z’n allen toch maar mooi hadden opgehoest? En heeft u zich ook wel eens maanden of zelfs jaren later afgevraagd wat er met al dat geld eigenlijk werkelijk was gebeurd? Zeker als er hier en daar berichten door sijpelden als hierboven.

De strijkstok is de kwelgeest van de goede doelensector. Het goede doel lijdt aan het syndroom van de strijkstok. Zowel ‘buiten de deur’ als ‘binnenskamers’, waar berichten over ‘dure campagnes’, ‘foute’ uitgaven’ en ‘riante’ salarissen (zie het lijstje van de jaarsalarissen van de directeuren van Nederlandse goede doelen in een van de bijlagen onder aan dit verhaal) de donateur steeds meer in het verkeerde keelgat schieten. En terecht! Het valt niet mee om een goed doel financieel te ondersteunen, om, als welwillende, maar vaak onwetende, weldoener langs die strijkstokken te laveren.

Uit schattingen blijkt dat er ongeveer 9000 goede doelen in Nederland zijn. Het is niet gemakkelijk om daar op een fatsoenlijke en betrouwbare manier uit te kiezen. Dus kiezen we vaak automatisch voor de groten, voor de bekenden. Persoonlijk ben ik daar van teruggekomen. Ik heb voor mezelf besloten om eventueel nog wel naar die inzamelingsacties te kijken, maar me er niet meer door te laten ‘verleiden’. Althans niet door het gironummer dat dan in beeld komt. Ik ga in dergelijke gevallen tegenwoordig liever op zoek naar privé-initiatieven, liefst van mensen binnen het eigen netwerk, van vrienden van vrienden, bekenden van kennissen, van mensen voor wie goede doelen geen big business is, van individuen die goede doelen ‘doen’ vanuit hun hart, belangeloos, gewoon omdat het moet, omdat het nodig is.

Die mensen zijn er altijd wel te vinden. Zo was er die vrouw met wie ik via-via in contact kwam na de Tsunami-ramp Kerstmis 2004. Terwijl een deel van het geld van de grootste nationale inzamelingsactie ooit nog steeds vast stond op diverse rekeningen en er zelfs al een deel ‘zoek’ of in elk geval ‘niet meer traceerbaar’ was, had deze pronte dame al lang en breed haar mouwen opgestroopt en was meteen naar het noordelijke puntje van Sumatra, naar de stad Banda Atjeh, waar alleen al 200.000 doden waren gevallen, getrokken. Ze was daar haar particulier ingezamelde geld ter plekke gaan brengen, toezicht gaan houden en zelf gaan helpen. Via internet koppelde ze wekelijks aan de gevers terug wat ze deed, wat er gebeurde en waar hun geld aan werd besteed.

Kleinschalig, maar wel effectief. En de dame in kwestie hoefde geen salaris, bestierde geen peperduur kantoorgebouw, sliep gewoon bij de weeskinderen op het provisorische zaaltje, knuffelde ze, werd een met ze.

Die kleinschaligheid, dat dicht-bij-huis-gevoel en die betrouwbaarheid zocht ik zelf ook toen ik besloot de opbrengst van mijn twee laatste boeken aan een goed doel te besteden. Omdat een van de twee boeken het levensverhaal van oud-wielrenner en kankerpatiënt Teun van Vliet betrof, verdiepte ik mij in de nieuwe stichting waarvan hij zelf net ambassadeur was geworden: Topsport for Life. En zo liep ik Miel in ’t Zand tegen het lijf, die al maanden volstrekt belangeloos fulltime bezig was voor ‘anderen’, die vol mooie ideeën zat en die strijkstokvrij bleek te zijn.

Hij zamelde geld in voor kankerpatiënten op Alpe d’Huez en bezorgde doodzieke en opgegeven mensen een geweldige VIP-dag bij de start van de Tour de France in Rotterdam. Via hem ben ik opeens ook gaan zien hoe bekende ‘goede doelen’ elkaar bij grote ‘evenementen’ de tent uit kunnen vechten, elkaar het licht niet in de ogen gunnen en zeker geen plaats laten voor de kleintjes.

Het deed me denken aan de conference van NUHR, de groep van Peter Heerschop, Viggo Waas, Joep van Deudekom en Eddie Wahr, in hun hilarische programma Natuurlijke Selectie, (waarvan ik hieronder als bijlage ook een fragment toevoeg). Toegegeven, dat is cabaret, maar is cabaret niet ook vaak gewoon een uitvergroting van zaken die ‘uit het leven gegrepen’ zijn?

Het valt in elk geval niet mee om als klein goede doel een weg te vinden en overeind te blijven in de grote doelenwereld. Maar het is de moeite waard, ook en vooral voor ons, om op zoek te blijven gaan naar dergelijke mensen. Om zeker te weten dat je goede doelengeld goed terecht komt. We hebben altijd de neiging om in het groot te denken. Maar vaak zit die grootheid juist in het kleine, al heb je daar uiteraard ook heel wat charlatans tussen zitten. Het is de kunst om de goeden er uit te filteren. Daar kun je voor jezelf een sport van maken.

Natuurlijk kun je die vrouw die haar mouwen opstroopte en met haar stoute schoenen afreisde naar Banda Atjeh niet een-op-een vergelijken met die man die terminale patiënten de dag van hun nog maar zo korte leven bezorgde tijdens een evenement als de Tour de France. Maar allebei hebben ze één ding gemeen: Als je als gever probeert te laveren langs de strijkstokken van de goede doelen, dan moet je bij dat soort types zijn. Zoek ze maar. Zoek het in het kleine, in het particuliere, maar vooral ook in het grote hart. Zoek en voel, voel met je buik, dan voel je goed, doe je goed. Want ze zijn er echt!

Bijlage 1:
Hoeveel verdienen directeuren van goede doelen?
Amnesty: Eduard Nazarski € 122.183,–
Astmafonds: Michael Rutgers € 125.000,–
Cliniclowns: Hans Geel € 92.609,–
Cordaid: René Grotenhuis € 119.387,–
Greenpeace: Liesbeth van Tongeren € 101.465,–
Hartstichting: Hans Stam € 140.812,–
Hivos: Manuela Monteiro € 103.503,–
Kerk in Actie: Haaije Feenstra € 115.381,–
KWF Kankerfonds: Ton Hanselaar € 179.788,–
Liliana Fonds: Kees van den Broek € 92.016,–
Prins Bernhard Cultuurfonds: Adriana Esmeijer € 168.130,–
SOS Kinderdorpen: Marcel Beerthuizen € 105.400,–
Terre des Hommes: Ron van Huizen € 103.369,–
Unicef: Jan Bouke Wijbrandi € 121.122,–
War Child: Mark Vogt € 90.830,–
Wereld Natuur Fonds: Johan van de Gronden € 144.165,–
Zonnebloem: Marijke van Eck € 127.100,–
Bijlage 2:
Uit Natuurlijke Selectie, het theaterprogramma van NUHR.

Willie: Jij zit toch bij Warchild?
  • Hennie: Ja, van Marco Borsato he. Heerlijk werk.
Willie: Zelf zit ik bij Right to Play.
  • Hennie: Dat is toch iets met sport?
Willie: Sporten met kinderen in de Derde Wereld. Begonnen door o.a. Johann Olav Koss, de Noorse schaatser.
  • Hennie: Is volgens mij minder bekend dan Marco Borsato.
Willie: Ja, in Nederland. Doet er ook niet toe. Wij kwamen laatst met Right to Play aan in Darfur. Ik weet niet of je dat kent?
  • Hennie: Ja, dat is dat vliegveldje met die hele korte landingsbaan…
Willie: Ja, nou wij kwamen daar aan met Right to Play met 4 grote containers vol met sportspullen en jullie van Warchild waren er ook al.
  • Hennie: Dat klopt. Wij waren lekker aan het voetballen met die kindsoldaten. Zo, die kunnen hard schieten zeg. Maar het mooie van het werk is, je ziet ze gewoon weer kind worden.
Willie: Ja, dat is heel mooi, maar je weet dat Warchild eigenlijk is bedoeld voor creatieve dingetjes met kindsoldaten. Knutselen, tekenen, muziek maken…
  • Hennie: Ja, Marco he.
Willie: En wij van Right to Play doen de sport. Dus als jullie aan het voetballen zijn met kindsoldaten zitten jullie doodordinair in onze vijver te vissen.
  • Hennie: Wat maakt dat nou uit?
Willie: Dat maakt heel veel uit. Wij moeten toch ook op de een of andere wijze ons budget op zien te maken?
  • Tonnie: Wij gingen met het Rode Kruis in Ethiopië waterputten slaan omdat die vrouwen daar elke dag 3 uur moesten lopen met emmers water op hun hoofd. Staan we daar met grote hamers en boren putten te slaan blijkt er door een andere organisatie al een complete waterleiding aangelegd. Elke hut warm en koud stromend water en een mengkraan.
Willie: Waren zeker de jongens van Memisa?
  • Tonnie: Nee Unicef. Maar goed, we moesten dus eerst die hele bende er weer uit slopen.
  • Hennie: Hebben jullie gewoon die waterputten aangelegd?
  • Tonnie: Tuurlijk, want als ik mijn budget niet op maak worden we volgend jaar gekort. En wat dacht je van aids?
Willie: Ik zit er niet op te wachten.
  • Tonnie: Ik heb met Artsen Zonder Grenzen twee jaar lang gelobbyd voor goedkope aidsremmers. Komen we aan in Zambia. Wat denk je? Hele land bezaaid met gratis condooms van het Aidsfonds.
Willie: Totaal kut natuurlijk.
  • Tonnie: Nou, we hebben gewoon een stuk of 50 besmette lokale negers ingezet om die aids gewoon weer te verspreiden. Je moet wel. Je moet je budget op krijgen.