donderdag 7 maart 2013

Op tafel, naast het kopje koffie, lag een spuit: (Nog) Niets aan de hand!





Het was aan de vooravond van ons vertrek naar het wereldkampioenschap wielrennen in Colombia, najaar 1995. Ik ging nog even bij hem langs. Thuis, toen nog in Den Haag, in een bescheiden bovenwoning aan de De Vriesstraat. Hij zette een kopje koffie op tafel en ik schrok, want op datzelfde tafeltje, midden in de woonkamer, lag een spuit.

‘Niets aan de hand’, lachte Michael Boogerd met die van hem zo bekende brede, witte lach. ‘Gewoon de gebruikelijke injecties die nodig zijn voor Colombia. Mijn vriendin werkt in de verpleging, dus die injecteert mij thuis. Lekker makkelijk, hoef ik er de deur niet voor uit’.

Nu had ik zelf ook net een cocktail aan spuiten gehad. De in die tijd voor Colombia aanbevolen vaccinaties tegen DTP (Difterie, Tetanus en Polio), hepatitis A (besmettelijke geelzucht) en gele koorts. Boogerd zou al die troep dus ook wel moeten hebben. Hij keek me met die grote onschuldige ogen van hem aan en natuurlijk geloofde ik hem. Misschien gek, maar ik geloof hem wat die ene spuit op die tafel daar in zijn oude woonkamer in Den Haag betreft nog steeds.

Ik kan me herinneren dat ik hem nog wel waarschuwde. De wielercultuur was er in die tijd eentje van wantrouwen. Goede Nederlandse coureurs als Frans Maassen werden zomaar opeens voorbij gereden, konden zelfs het peloton niet meer volgen. Italiaanse renners die nooit boven de middelmaat uitkwamen werden opeens winnaars. In de Waalse Pijl deklasseerden drie modale coureurs van Gewiss het complete peloton.

Het journaille was op zoek naar oorzaken. Er moest een nieuw dopingproduct op de markt zijn, dat kon haast niet anders. En dan kom je, zo kort voor het vertrek naar het wereldkampioenschap, even langs bij een van de grootste Nederlandse talenten en ligt er zomaar een spuit op tafel.

‘Niet echt slim van je Michael! Ook al stelt het niets voor. Je laat dit zomaar liggen terwijl je een journalist op bezoek krijgt. Dat is een beetje dom’.

Ik kende hem al langer, had hem zoals ze dat in het jargon noemen ‘zien komen’. Als kleine jongen verzamelde hij handtekeningen. Joop Zoetemelk, Jan Raas, Gerrie Knetemann, Hennie Kuiper, Henk Lubberding, Gerben Kastens; Michael had ze allemaal en was daar trots op. Al op zijn 4de had hij zijn eerste racefietsje gekregen. Apetrots was hij.



Profwielrenners waren helden voor hem, kwamen van een andere planeet. Later als hij groot was moest en zou hij er ook eentje worden en hij deed er alles aan om die droom te verwezenlijken. Hij verzorgde zich goed, werkte harder dan de meeste anderen, was bloedfanatiek en enorm gepassioneerd. En de hele familie leefde en werkte mee.

Maar toen zijn droom eindelijk uitkwam bleek dat grote talent niet meer dan peloton-vulling. Bij het wereldkampioenschap in Colombia stond hij al na een halve ronde langs de kant. Het werd voor de volledige Oranje-ploeg daar trouwens een afgang. Bondscoach Knetemann was na amper vier uurtjes koers al werkloos. Saillant detail: Bij de amateurs werd Danny Nelissen wereldkampioen en we weten inmiddels ook hoe het dit talent na zijn overstap naar de broodrenners is vergaan.

De jongensdroom van Boogerd leek na twee jaar tussen de professionele wielen in een nachtmerrie te eindigen. In het vakblad Wieler Revue kregen alle Nederlandse profrenners een rapportcijfer. Boogerd kreeg een 5-plus. In een begeleidend tekstje stond: ‘Hij zou zogenaamd een klimmer zijn, maar als zijn beste prestatie een vijfde plaats in een criterium in Woerden is, dan weten we niet of hij op de goede weg is’. Tussen haakjes had de redactie van het blad achter de plaatsnaam Woerden nog en soort col getekend, er was immers een bruggetje, een zogenaamde klim, in het parcours.

Ik weet nog hoe Boogerd daar indertijd op reageerde. Kunnen omgaan met kritiek was nooit zijn sterkste punt. Bovendien was de publieke opinie altijd erg belangrijk voor hem. Het was vooral dat cynisch erbij geplaatste colletjes dat hem pijn deed. Verongelijkt zegde hij meteen zijn abonnement op.

Diep van binnen wist Michael Boogerd echter ook wel dat die 5-plus op dat moment een terecht cijfer was. Hij kon blij zijn dat hij voor een minimumsalaris nog net aan de slag mocht gaan bij de toen nieuwe sponsorploeg De Rabobank. Daar, bij dat team, waar hij en zijn kompanen al snel het stempel ‘patatgeneratie’ opgeplakt kregen, ontstond blijkbaar zijn duivels dilemma. Deel uit gaan maken van de dopingcultuur of afscheid nemen van zijn jongensdroom en met de staart tussen de benen de fiets aan de wilgen hangen. Voor dat laatste was Michael Boogerd simpelweg te lang en te fanatiek bezig met fietsen en vooral ook te ambitieus.

… Zeven jaar na die kop koffie in die bovenwoning aan de Haagse De Vriesstraat zat ik weer bij hem thuis. Nu in zijn prachtige, kapitale huis in België. Op tafel lag deze keer geen spuit en het leven lachte hem toe.

Ik was er om voor de Kerstbijlage van de krant een reconstructie te schrijven van zijn historische en heroïsche overwinning in de koninginnerit van de Tour de France naar La Plagne. Hij kon zich nog elk detail van die dag herinneren. Vanaf het moment dat hij wakker werd totdat hij weer ging slapen. Elke bocht, elke pedaaltred, wie er waar langs de kant stond; Boogerd bezorgde me prachtige teksten, waarmee ik een heel boek had kunnen vullen.

Zijn ogen schitterden al die uren dat hij aan het woord was en hij lachte zijn aanstekelijke kwajongenslach. Ja, ik hing aan zijn lippen en ja, ik had in al die lange jaren dat ik hem toen volgde een zwak voor hem gekregen. En, eerlijk is eerlijk, ik heb ook toen geen moment gedacht dat zijn zegetocht richting La Plagne op wat voor manier dan ook gerelateerd zou kunnen zijn aan dopinggebruik. Doping was voorbehouden aan die vermaledijde buitenlanders die alles wonnen. De Rabojongens van de Hollandse stamppot deden dat niet.

Naïef? Ja, met de wetenschap van nu wellicht wel. Maar feit was en bleef dat de mannen van Oranje, met Michael Boogerd voorop, kei- en keihard werkten en toch geen echte winnaarstypes waren. En als er dan, zoals toen op La Plagne, een keer wel werd gewonnen, dan schreven we dat vooral toe als een zege op al die gedopeerden. Het kon dus nog wel. Soms. Af en toe. Nu weten we beter, want ook het bloed van Boogerd was ‘besmet’.



Moeten we hem daarom nu verketteren? Dat mag iedereen voor zichzelf uit maken. Ik doe dat niet, ook al ben ik jarenlang voorgelogen. Van mij mag Lance Armstrong aan de schandpaal worden genageld. Armstrong was een weldoordachte ‘organisator’, Boogerd vooral een gefrustreerde ‘volger’, dat heeft iets zieligs. Ook onder ‘dopers’ heb je meer sympathie voor de een dan voor de ander, sorry, maar niets menselijks is mij vreemd.

Trouwens de ergste dopingzondaar aller tijden vind ik nog steeds de grootste leugenaars aller tijden: de onsympathieke en arrogante Richard Virenque, die in Frankrijk toch nog altijd razend populair is. Zoals Johan Museeuw dat ook altijd in België is gebleven.

De collectieve verontwaardiging in Nederland is groot. Zelfs de mensen van de bank bemoeien zich ermee. Ik vond het stuitend om te zien hoe de heer Moerland, voorzitter van de Rabobank, de sponsor die koste wat het kost meer prestaties van zijn renners verlangde, vorige week in Nieuwsuur met een stalen gezicht zei dat hij zich belogen en bedrogen voelde. Hij was bekocht, misleid. Los nog van het feit dat ik het mij moeilijk kan voorstellen dat ze bij de Rabobank helemaal nergens vanaf wisten, niet eens het geringste vermoeden hadden, klonk het als een goedkoop straatje schoonvegen vanuit een bedrijfstak die nota bene het sjoemelen, misleiden, bedriegen en liegen heeft uitgevonden.

Nee ik ben niet boos over de biecht van Michael Boogerd, die zo verstrikt was geraakt in zijn eigen leugens dat er geen andere uitweg meer was dan die bekentenis. Ik ben vooral opgelucht dat hij het eindelijk heeft toegegeven en tegelijkertijd ook een beetje verdrietig. Ik heb op de een of andere manier zelfs met hem en zijn familie, die van jongs af aan alles voor hem over had, te doen.

Hij reed voor lul, zei hij, dus daarom kon hij niet anders. Natuurlijk kon hij anders, iedereen kon anders, maar niemand deed het anders. Michael Boogerd valt veel te verwijten, maar feit is ook dat hij op geen slechter moment beroepsrenner had kunnen worden. Hij verdient enige hoon en afkeuring, maar dat moeten we ook weer niet overdrijven.

Doping is zo oud als de wielersport. Grootheden als Eddy Merckx en Joop Zoetemelk werden ooit betrapt. En toen Gert-Jan Theunisse in de Tour door de mand viel werd hij bij de criteriums in Nederland nog als een held onthaald. Met de straf viel het toen trouwens ook nogal mee; hij werd in de uitslag gedeclasseerd.

De tijden zijn wat dat betreft inmiddels veranderd en daar is veel voor te zeggen. Maar het gaat te ver om te stellen dat het kwaad nu tot aan de wortel toe wordt uitgeroeid. De term ‘het nieuwe wielrennen’ klinkt mooi, maar ook dit jaar zullen er weer renners doping gebruiken. En in 2014 en 2015 ook.

… Vijftien jaar geleden was ik verslaggever in wat de geschiedenis in zou gaan als De Doping-Tour. Politie-invallen, arrestaties, renners die naar het ziekenhuis werden afgevoerd om verplicht ‘haarmonsters’ af te staan; je waande je in die Ronde van Frankrijk soms een oorlogsverslaggever. Het was heftig wat er in 1998 allemaal gebeurde, sommigen riepen dat dit het einde was van de wielersport. Zuivering tot op het bot, het moest en zou anders! We doopten onze pennen in azijn, de politiek ging zich ermee bemoeien. Ook toen al werd er gesproken van ‘het nieuwe wielrennen’. Maar het ging dus, zo blijkt inmiddels, daarna gewoon door, zoals het ook nu weer door zal gaan, al horen we dat wellicht pas als we weer 15 jaar verder zijn.

De wielerwereld staat nu net als in 1998 op zijn achterste poten. Maar ondertussen blijven de mensen achter de renners, degenen die het toen voor het zeggen hadden, zwijgen. Bovendien lees ik dat Festina, de officiële tijdwaarnemer van de Tour de France, dit jaar een reclamecampagne gaat beginnen met de spil van genoemde Doping-Tour, met die grootste en meest arrogante leugenaar aller tijden, inderdaad: Richard Virenque. Hoezo ‘reiniging’?

Ach, ik ben er zo’n beetje klaar mee nu, ben inmiddels ook al heel wat jaren geen wielerverslaggever meer. Eigenlijk wacht ik persoonlijk nog maar op één andere bekentenis. Nee, ik zal zijn naam niet noemen, maar ik hoop voor hem dat ook hij ooit zijn zoon weer recht in de ogen durft aan te kijken. Als die bekentenis er is, kijk ik straks weer gewoon met veel plezier naar de Tour de France. En met een beetje geluk kan ik mezelf dan ook weer vijftien jaar lang wijs maken dat de wielersport eindelijk ‘schoon’ is geworden. Wat is het toch een mooie sport!