vrijdag 30 december 2016

Column van het Jaar

De Column van het Jaar


Meestal heb ik niet veel met al die eindejaarlijsten. Ze zijn niet alleen discutabel (wat als Max Verstappen straks echt meerdere wedstrijden gaat winnen en zelfs wereldkampioen gaat worden?), maar ook niet actueel. Het ergert mij als ik tijdens het overigens prachtige tv-programma Top 2000 a gogo deze week bijna dagelijks onder in beeld moet lezen dat George Michael is overleden nádat de reeks van 2016 is opgenomen. Alleen daarom wordt hij dus ‘doodgezwegen’.

Een sporter die in december wereldkampioen wordt of iets geweldigs presteert loopt elke nominatie mis. Hoe hoog zou Sylvana Simons op diverse (schaamteloze en achterbakse) lijsten hebben gestaan als eerder bekend was geworden dat deze zelfbenoemde Barack Obama van Nederland (hoe megalomaan kun je zijn?) haar ‘foute’ broeders van DENK nog stiekemer dan stiekem een mes in de rug aan het steken was?

In mijn eigen stad is Piet de Meer terecht Dordtenaar van het Jaar geworden, maar ook op lokaal niveau wordt geen rekening gehouden met opvallende gebeurtenissen en prestaties in de maand december. Op de een of andere manier doet december niet mee aan al die soms rare verkiezingen. Want je hebt ze in alle soorten en maten. Van de Sigarenroker van het Jaar tot de Dierenspeciaalzaak van het Jaar.

Als oud-journalist ben ik natuurlijk vooral benieuwd naar de Column van het Jaar. Die verkiezing bestaat blijkbaar niet. Ik ben het althans (nog) nergens tegengekomen. Vroeger was columnist een apart vak. Het was maar voor weinigen weggelegd. De laatste jaren is er een wildgroei ontstaan. Het wemelt er werkelijk van. Dat komt de kwaliteit uiteraard niet ten goede. Ook daarom zou een verkiezing van Column van het Jaar op zijn plaats zijn. Als ode aan een oud ambacht.

Zelf ben ik een liefhebber van Őzcan Akyol. En van Hugo Borst. Als hij tenminste over zijn moeder schrijft. Persoonlijk heb ik nog weleens moeite met de foto’s die bij zijn stukken staan. Wat zou zijn demente moeder als ze nog helder en fit van geest was geweest daar zelf van hebben gevonden?

In mijn eigen Drechtsteden kun je natuurlijk niet om de onvolprezen Kees Thies heen, maar ik wil het graag landelijk trekken. Tot op de dag van vandaag twijfelde ik op wie ik zou stemmen? Akyol of Borst? Een nek-aan-nek-race!

Het is tenslotte Hugo Borst geworden. Op de valreep. 

Vanwege deze column van vandaag:

Toen ik de kop las schrok ik eerst even, maar daarna… voor velen zo herkenbaar, zo subtiel, zo vol eenvoud: een echt juweeltje! Ik denk niet dat er morgen iemand zal zijn die dit nog kan overtreffen. Al moet je met dit soort verkiezingen natuurlijk altijd voorzichtig zijn. Het is immers nog steeds geen 1 januari.

woensdag 16 november 2016

Kassa


Schenk de opbrengst van het boek aan een goed doel


Er was al een biografie (Schoon Genoeg, van augustus 2011). En ook over het excessieve dopinggebruik waren al vele onthullende boeken met krankzinnige verhalen geschreven. Hoe melk je een bekend verhaal dan nog verder uit? Door er seks aan toe te voegen! Met jezelf. En, om het helemaal compleet te maken, natuurlijk ook met anderen. Dus kijkt TD, zoals hij zichzelf, niet gespeend van een stevige portie arrogantie, graag noemt, samen met Steven de Jongh naar porno en rukken zij zich af. En samen met Michael Boogerd bestelt hij enkele Oost-Europese hoeren. In gedachten zie ik schrijver Thijs Zonneveld gniffelen. Aandacht gegarandeerd. Kassa!

Meningenfabriek Nederland buitelt inmiddels over elkaar heen. Waarbij je je dus kunt afvragen waar al die mensen waren toen de afgelopen jaren al die harde dopingbekentenissen in woord en geschrift naar buiten kwamen. Het deksel van die beerput stond al zo lang wagenwijd open. Mijn eigen verbijstering zit 'm daarom bovenal in die seks-scenes. En dan vooral in het feit dat Dekker & Zonneveld daar anderen bij betrekken. Wat is de toegevoegde waarde van het masturberen van Steven de Jongh? Het hoerenbezoek van Michael Boogerd? Komen fatsoen en commercie hier niet met elkaar in conflict?

Nog voordat ik mijn hersenen activeerde met deze vragen sprak, zoals wel vaker voor zijn beurt, mijn gevoel. Ik dacht aan Renee Meijer, de vrouw van Stephen de Jong. Aan Nerena Ruinemans, de ex van Michael Boogerd. Aan hun zoon, die de volgende dag weer gewoon naar school moet. Dat zijn vader een stevige dopingzondaar was heeft hij al vaak genoeg moeten horen. Nu komt daar ook nog eens het woord hoerenloper bij.

“Al komen er nog 100 boeken…”, schreef Renee bij een verliefde foto van haar en haar man vandaag op Facebook. Nerena stuurde een aantal tweets de wereld in. “Michael is een fantastische vader voor mijn zoon en ik prijs mij gelukkig dat we op zo’n vriendschappelijke manier met elkaar om kunnen gaan. Geen enkel sensatieboek zal daar verandering in brengen.”

Een sensatieboek kun je Mijn Gevecht (een titel die overigens al vaker is gebruikt, meestal in verband met vreselijke ziektes) inderdaad noemen. Juist vanwege die toegevoegde platte seks. Waar de dollars rinkelen zwijgen de filosofen is een Russisch gezegde. Als je Thomas Dekker hoort vertellen dat zijn  moeder vorige maand het boek las en sindsdien niet meer het huis uit is geweest, kun je je niet aan de indruk onttrekken dat hij ook nog trots is op alle opwinding die hij nu weer heeft veroorzaakt.

In DWDD, waar TD in eerste instantie vooral te maken had met niet alleen een opgewonden Matthijs van Nieuwkerk, maar ook een hevig verontwaardigde Frits Barend en Erben Wennemars, wist hij dit sputterende trio uiteindelijk stil te krijgen met de moraal van zijn verhaal. Hij hoopt, zei Dekker, dat door zijn boek jonge wielrenners in de toekomst gewoon hun eigen keuze kunnen maken, dat ze maar één doel hebben, een hele grote wielrenner worden, en dat ze daarbij worden gesteund door mensen om hen heen, die hun behoeden voor fouten die hij zelf heeft gemaakt.

Dekker kreeg er zelfs een applaus voor van Barend, die in een keer om leek te draaien, maar ik vond dat ongepast, kreeg juist daar een heel wee gevoel bij, moest er zelfs van huiveren. Altijd al een goede prater geweest die Dekker. En bovenal een commercieel denkend mens.

Ik ben pas overtuigd van die bedoelingen als de opbrengst van het boek wordt geschonken aan een instantie (of initiatief) die voorkomt dat de nieuwe generatie in dezelfde valkuilen trapt. Of een ander goed doel.

Auteur Thijs Zonneveld heeft een steengoede en keileuke baan en kan de centen wel missen. En wat Thomas Dekker betreft, om even in zijn eigen stijl te blijven: Hij heeft een relatie met de 50-jarige Nathalie Marciano, de ex van Maurice, die samen met broer Paul aan de wieg stond van het wereldberoemde kledingmerk GUESS. Nathalie schijnt goed te zijn voor vele tientallen miljoenen en als hij niet zijn boek aan het promoten is leeft TD een heus jetsetleven in Beverly Hills. Compleet met flitsend wagenpark (iets waar hij altijd al gevoelig voor was), privéjets en exclusieve feesten met de Happy Few.

Dus Dekker & Zonneveld… benieuwd naar jullie (goede) doel.

donderdag 22 september 2016

Mislukt verhaal

Een mislukt verhaal met een mislukt mens


Ik heb gisterenavond met buitengewoon veel belangstelling gekeken naar neurobioloog Dick Swaab die aanschoof in het programma Pauw. Swaab hield, zoals wel vaker, een interessante verhandeling over het brein, waarbij speciale aandacht was voor wat hij ‘het criminele brein’ noemt. Het gaat daarbij om het voorste deel van de hersenen. Werkt dat niet goed, is dat niet voldoende ontwikkeld, dan ontbreekt het je bij voorbeeld aan empathie. Letterlijk zei Swaab: ‘Dan voel je niet wat je anderen aandoet.’

Je hoeft het daarbij niet alleen over fysiek geweld te hebben. Ook met woorden, met verbale opmerkingen, kun je mensen pijn doen. Ik moest daarbij meteen denken aan het interview dat Midas Dekkers deze maand geeft in het magazine Lotje&co, een blad voor mensen met zorgintensieve kinderen.

De bioloog/schrijver, die broer was van twee zwaar gehandicapte zussen, slaagt er in om acht (!) hele pagina’s lang de doelgroep van het blad te schofferen, te kwetsen. Hij is ronduit grof en schiet al meteen in de eerste zin uit zijn slof. Ik blijk volgens hem bij voorbeeld vader te zijn van een MISLUKT kind. Als het door een postorderbedrijf bezorgd zou zijn zou ik het ongetwijfeld meteen hebben teruggestuurd.

Mijn Brigitte kan net als wijlen een zus van Dekkers niet zelf eten, zelf staan of lopen. Ze kan evenmin praten. Als ik Dekkers mag geloven is het daarom eigenlijk heel vreemd dat ik zoveel van haar hou en voor haar wil zorgen. Om goed te praten waarom hij en zijn moeder zo snel mogelijk van de mislukte meisjes af wilden, trekt de bioloog, hoe kan het anders, de vergelijking met het dierenrijk. Letterlijk zegt Dekkers vergoelijkend: ‘De verzorgingszin wordt bij moederdieren ontketend door het hormoon oxytocine. Maar andersom moet het jong de verzorgingslust ook triggeren. Door het juiste gedrag ontlokt het dier emoties. Gedraagt het zich te afwijkend, dan wordt een jong niet als eigen herkend. Klassiek voorbeeld: het meeuwenjong dat niet op de rode stip op de moedernavel tikt, krijgt geen eten.’

Onze Brigitte had jarenlang de grootste moeite met eten. Ze vroeg er niet om, tikte niet op de rode stip, haar slikreflexen werkten niet goed. Toch waren we elke dag met eindeloos geduld uren in de weer om genoeg vocht en voeding bij haar binnen te krijgen. Want dat, meneer Dekkers, maakt van ons juist mensen en geen dieren! Dat al die liefdevolle zorg en dat jarenlang stimuleren van haar haperende slikreflexen succes hadden, kunt u waarschijnlijk niet geloven. Maar u heeft dan ook meer verstand van dieren dan van mensen.

Ook haalt Dekkers er maar even de Middeleeuwen bij. ‘Toen werden mislukte kinderen monsters en duivelse gedrochten genoemd en had men minder moeite hen aan hun lot over te laten.’ Wat een geluk dat Brigitte in de 20ste eeuw is geboren! Als we goed naar ervaringsdeskundige Dekkers luisteren zijn we, in de inmiddels 21ste eeuw, trouwens ook helemaal fout bezig. Dom hoor, als we moeten huilen om een ‘ongelukkig kindje’. Want daarmee raak je je verdriet helemaal niet kwijt. Integendeel, we ontketenen er juist een vicieuze cirkel mee, want als we dat doen komen er alleen maar stoffen vrij waardoor we juist meer moeten huilen. En ook hier trekt Dekkers weer een parallel naar het dierenrijk. Over moeilijkheden praten helpt namelijk niet. ‘Dat lost niets op. Waarom praten dieren niet? Omdat het ook zonder goed gaat.’

De gelovigen onder ons krijgen een extra schop tegen het kruis. ‘Welke Schepper levert nou zulk prutswerk af?’ En: ‘Dingen laten was bij mijn zusje al genoeg geweest.’ Op de vraag waarom hij uiteindelijk toch naar de begrafenis ging van een zusje dat hij bij leven nooit had opgezocht is een van zijn reacties: ‘Met een beetje mazzel is er bij begrafenissen na de koffie en de cake een borrel.’

Als kind is Midas Dekkers trouwens wel een keer op bezoek gegaan bij een van de twee meisjes. Dat ontlokt hem nu de volgende reactie: ‘Het was daar net een menselijke dierentuin. Wat daar al niet aan onvolwaardige creaturen rondkroop en in bedjes lag, had Jeroen Bosch nog niet kunnen verzinnen.’

Even lijkt hij wat milder. Als hij zegt dat hij zich kan voorstellen dat mensen iets geven om mensen met het Syndroom van Down. Schone schijn. Want ze moeten dan wel op z’n minst leuk zijn. ‘Niemand heeft moeite om van die vrolijke mongool te houden. Maar van een pijnlijdend protoplasma? Dan moet je of een groot hart of een klein verstand hebben.’ Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Wandert Jacobus Dekkers, roepnaam Midas, én een klein hart én een klein verstand heeft.

Verbijsterd en aangeslagen van al deze uitspraken leg ik het verhaal terzijde en kijk er, nadat ik Dick Swaab heb horen praten, vandaag, op deze heugelijke dag, want onze prachtige, mooie en liefdevolle Brigitte is jarig, nog een keer naar. Staat het er echt allemaal? Ja! Je voelt bij herlezing dat de interviewster worstelt met de antwoorden op haar vragen en dat zij nog probeert te redden wat er te redden valt. Maar zelfs dat lukt niet. Want, Midas Dekkers zegt: ‘Ik heb geen zin om halfzachte lariekoek uit te kramen. Ik hoop dat de lezers volwassen genoeg zijn om te begrijpen dat de kille waarheid soms beter is dan zalvende woorden. Troost vind je bij de pastoor, de waarheid bij de bioloog. Het kan zijn dat de lezer van dit blad in hun huidige situatie niet op de waarheid zitten te wachten.’

Ik zat inderdaad niet te wachten op dit interview. Maar ik beschouw mezelf niet als een halfzacht mens. Ik heb geen zalvende woorden nodig. Bovendien voel ik me volwassen en intelligent genoeg om de waarheid van de van elke vorm van empathie of medemenselijkheid gespeende, bijna dierlijke, Dekkers volstrekt niet als waarheid te beschouwen. Als we nog in de Middeleeuwen leefden zou ik zeggen: Gooi in die bodemloze put die man. En als er in de diepte dan nog echo’s van zijn scheel makende woorden nagalmen is het de hoogste tijd om het deksel erop te schuiven. Maar gelukkig leven we in de 21ste eeuw en zijn mensen menselijker geworden. En gelukkig zegt Midas Dekker dat wat hem betreft na dit interview het onderwerp wel afgehandeld is. Hij zal er niet meer over praten.

Dat laatste mag ik hopen. Midas Dekkers heeft zijn ei weer eens gelegd. Schofferen om het schofferen. Kwetsen om het kwetsen. Luisterend naar Dick Swaab zou je kunnen denken dat hij er zelf niets aan kan doen, dat Dekkers problemen heeft met dat voorste deel van zijn hersenen, waarin bij voorbeeld empathie huist. Waarom iemand zo doet en zo praat is dus te verklaren. Maar niet alles wat is te verklaren valt daardoor ook goed te praten. Wat mij betreft is het interview met Dekkers dan ook een mislukt verhaal van een mislukt mens.


zondag 11 september 2016

In de war

Help, ik ben in de war…


Vraag me niet waarom ik op die politiewagen stond te schreeuwen en uitdagend scheldend een brandende sigaret naar die agent gooide. Ik kan het me niet herinneren. Wat ik nog wel weet is dat mijn rechterarm zowat uit de kom schoot toen de politie mijn handen ruw op mijn rug trok en ik een gat in mijn hoofd stootte aan het dak van de wagen toen ik onnodig agressief op de achterbank werd geduwd. Discriminatie riep ik toen de deur dicht klapte. Ik overwoog nog even Sylvana Simons, onze hoogleraar op dit gebied, te bellen. Want als ik meer dan 1 (Nederlands) paspoort zou hebben, zou die politie me ongetwijfeld niet zo hardhandig aanpakken.
Eigenlijk was het best een nare droom. ‘Tuig van de richel’ werd ik zelfs genoemd. Door nota bene onze minister-president. Verwarrend, dat was het vooral. Misschien moet ik minder televisie kijken en minder kranten lezen. Het nieuws volgen komt tegenwoordig mijn nachtrust immers niet ten goede.

Help, ik ben dus in de war. Ik zie asociale hanghufters met zonnebrillen op onze nationale zender vragen om een buurthuis. Een dag later blijkt dat ze dat al hadden. Twee zelfs. Met alles erop en eraan. Ze jatten er als de raven, bedreigden mensen die hun tot de orde wilden roepen met vuurwapens. Als ze er niet meer welkom zijn gaan ze gewoon de wijk Poelenburg in Zaandam op stelten zetten. De politie laat het gebeuren, laat zich vernederen en kleineren. Het is al twee jaar aan de gang, maar pas als half Nederland losgaat op twitter spreekt Mark Rutte opeens stoere taal: Tuig van de richel dus. Toe maar, hij durft.
Nu maar hopen dat onze premier straks geen sorry gaat zeggen tegen die zonnebrilsmurfen, want daar schijnt hij goed in te zijn.
Sorry kiezers dat ik mijn verkiezingsbeloften niet ben nagekomen, sorry dat ik heb gelogen. Zouden er soms verkiezingen aankomen?

Help, ik ben dus in de war. Politica -brrr, wat een eng woord in haar verband- Sylvana Simons mag kritiekloos haar ingestudeerde opstelletje komen voordragen bij Pauw. Haar achterbakse zetbaas Tunahan Kuzu weigert opzichtig en met voorbedachten rade de uitgestoken hand van de bezoekende Israëlische premier Benjamin Netanyahu. Hij ontpopt zich op steeds meer gebieden als de grootste splijtzwam van ons land. Terwijl zijn partij DENK ondertussen juist ‘verbinden’ predikt.
Is er hier soms iets misgegaan tijdens de inburgeringscursus? Kan iemand die marionet van Erdogan uitleggen waar het woord verbinden voor staat in onze Nederlandse taal? En kan die ondertussen meteen ook aan Huseyin Sayilgan vertellen dat hier al tegen jonge kinderen wordt gezegd dat ze geen stiekeme klikspanen mogen zijn. Ja, die Huseyin die, ook al op onze nationale televisie, mag komen verdedigen waarom hij in Turkije aangifte heeft gedaan tegen Ebru Umar. Twee Nederlanders in Nederland, dus, als je al aangifte wilt doen, zou je verwachten dat je dit in Nederland doet. Logisch toch? Nee hoor. Verwarrend.

Ik moet natuurlijk wel uitkijken wat ik hier zeg. Straks mag ik niet meer op vakantie naar dat mooie Turkije. Dus Hueyin mondje dicht aub. En weet dat ik niet alleen in de war raak van jullie hoor. Ook de mannen en vrouwen met slechts dat ene (Nederlandse) paspoort kunnen er wat van. Over de selectieve spijtoptant Rutte heb ik het al terzijde gehad. Maar ik vrees dat andere oer-Hollanders van hetzelfde laken en pak zijn. Zoals Alexander Pechtold, Jesse Klaver, Sybrand van Haersma Buma, Geert Wilders en Halina Reijn. O, sorry die laatste is geen politica, dat is gewoon een OK vrouw die niet tegen dikke, starende mensen kan.
Zet op de plaats van haar naam maar die van Diederik Samsom, de man die om mee te kunnen regeren misschien wel het meeste water bij de wijn heeft moeten doen, zichzelf en zijn achterban het meest heeft verloochend. Mede dankzij hem weet ik nu niet eens meer wat goed en wat slecht nieuws is. Want, help ik ben dus ook wat dat betreft in de war.

Het eigen risico gaat niet omhoog! Hoera. Jippie. Slingers. Ballonnen. Tijdens de huidige kabinetsperiode is de straf op chronisch ziek zijn jaarlijks fors omhoog gegaan. Gaat-ie nu het weer beter gaat dan eindelijk omlaag? Neuh… hij blijft zo hoog. Waar is dat feestje?


De zorg krijgt er 400 miljoen bij. Hou me vast, ik ga uit mijn dak!
De afgelopen jaren is er een veelvoud van dat bedrag wegbezuinigd wat voor schrijnende ‘ervaringsverhalen’ heeft gezorgd. Je kunt hooguit spreken van een piepklein pleistertje op een grote wonde.

Afschaffen dat eigen risico, veel meer geld terug naar de zorg. Ik hoor het opeens steeds meer politici roepen. Maar bij doorvragen blijkt dit bij toekomstige formatiebesprekingen voor niemand echt een breekpunt te zijn. Geen zin om later sorry te moeten zeggen.
Verkiezingsretoriek?
Ik probeer het te begrijpen, optimistisch te zijn, maar de achterdocht regeert. En dat terwijl het pas september 2016 is.
Ik heb het voor de zekerheid maar eens opgezocht. De verkiezingen zijn pas op 15 maart 2017! Waarom dan nu al al dat wapengekletter?

Help, ik ben dus in de war. Het ligt allemaal aan mezelf. De zomer wil maar geen afscheid nemen, het wordt in de tweede week van september meer dan 30 graden, terwijl de pepernoten al weken in de supermarkt liggen. Maurits Hendriks is nog maar amper terug in de vergetelheid en Quincy Gario moet er nog aan komen. Toch is de verkiezingscampagne al begonnen.

Ik zet mijn smurfenzonnebril op, spring op een politieauto en maak gekke boksgebaren. Raar land, dat Nederland. Verwarrend vooral. Althans voor mij. Maar ik moet dan ook in therapie. In elk geval tot na 15 maart aanstaande.

dinsdag 30 augustus 2016

Woestaantrekkelijk

Over knikkende knietjes en spontane eisprongen


“Woestaantrekkelijk, helemaal totally mijn type.”
“Ik ben mijn tas al aan het pakken.”
“Wow, goeiemorgen zeg, ik greep meteen naar pen en papier, maar shit, opeens bedacht ik dat ik al ben getrouwd.”
“Heb even mijn vriendin van de grond gehaald, ze was van de bank gegleden.”
“Zes seconden Marc en ik kreeg een spontane eisprong.”

Als je opeens zulk openbaar enthousiasme voorbij ziet komen bij je doorgaans redelijk nuchter legertje facebookvrienden is de interesse natuurlijk meteen gewekt. Evenals de verbazing. Watsgebeurd? Heb ik iets gemist? Welke toekomstige blockbuster is er in première gegaan? Welke nieuwe filmster, welke adonis, is er op aarde neergedaald?

De oud-journalist in mij gaat bij zoveel commotie, waarschijnlijk uit macht der gewoonte, dan toch even op onderzoek uit. Uitzending Gemist. Het blijkt te gaan om het best bekeken televisieprogramma van de afgelopen jaren, een programma dat ik altijd heb weten te vermijden, maar waar ik nu opeens niet meer omheen kan. Als ik tenminste nog een beetje serieus genomen wil worden, wil kunnen meepraten.

Boer zoekt vrouw! Internationaal nog wel. Ik lees over knikkende knietjes. Niet twee, maar ontelbare en ja, dus ook bij getrouwde vrouwen. Vanwege een exotische kerel met tropenhoedje. Marc, een 37-jarige knapperd met een viskwekerij in Zambia. Mooie ogen, stoere kaaklijn, mysterieuze blik. Vrouwen kantelen in superlatieven over elkaar heen.

Hij heeft de looks, hij heeft de brains (universitaire opleiding), hij is een geslaagde zakenman, heeft katten en een hond en kan ook nog eens koken als de beste. Zijn huis kijkt uit op een prachtig meer, de zonsondergangen zijn er sprookjesachtig. En opgelet: hij wil heel graag kinderen! Probeer dan als vrouw maar eens met beide benen op de grond te blijven staan.

Massaal dromen ze van warme handen die tegen hun hart tokkelen. Geen haar op hun hoofd dat zich kan voorstellen dat dit ook weleens klauwen zouden kunnen worden die erin knijpen. Want Marc is een hele aparte. Dat hij in dit programma terecht is gekomen moet haast wel te maken hebben met heel slim en commercieel casten. Hij/het is te mooi om waar te zijn.Wie even verder kijkt dan al het gespetter kan deze wereldreiziger met maar liefst 150 werknemers nauwelijks meer een boer noemen. Als de tilapiakwekerij van deze ondernemer straks de grootste van Afrika is geworden gaat hij gewoon weer wat anders doen, in gewoon weer een ander land.

Is dit een typisch mannelijke reactie? Misschien. Eisprongen zijn mij gelukkig altijd vreemd gebleven. Mijn jongste dochter zei altijd met een brede glimlach dat haar vader haar zo goed begreep en voor haar zorgde omdat hij voor een man zo opmerkelijk veel oestrogenen had. Maar zelfs die laten me nu in de steek. Ik zie het namelijk niet, het waarom van al die adoratie.

Waarom is tilapia (een verzamelnaam voor een groot aantal tropische zoetwatervissen uit de familie der cichliden) opeens in Nederland zo’n populaire zoekopdracht? Waarom wordt op google ook Zambia (het vroegere Noord-Rhodesië, een land in Afrika dat grenst aan Congo-Kinshasa, Tanzania, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Namibië en Angola) zo vaak aangeklikt?

Zijn er vrouwen die mij kunnen en willen uitleggen waarom ze als een blok vallen voor deze Marc, maar liefst 7502 vliegkilometers ver weg van eigen huis en haard? En zijn er tussen die meer dan drie miljoen kijkers ook veel mannen? Zo ja, vertel mij waarom jullie je zo graag zo klein willen voelen?

Ben ik dan soms jaloers? Nee hoor, daar ben ik veel te oud en gelouterd voor. Bovendien ben ik voorzien. Met de mooiste en liefste van allemaal. Ook zij heeft de looks. En de brains. Ze woont 7441 kilometer dichterbij. Dat is wel zo makkelijk.

De herfst komt eraan, maar voor vrouwelijk Nederland is de lente alvast begonnen. Boer Zoekt Vrouw zal vooral dankzij Marc ongetwijfeld weer alle records breken. Ik zal ook zo nu en dan inschakelen, want het intrigeert natuurlijk wel. Maar gelukkig is er ook nog een omroep voor mannen. Met Voetbal Inside. Daar begrijpen de meeste vrouwen dan weer niets van. Rare mensen zijn en blijven we.





Nawoord: En dan blijkt al na een paar dagen dat Marc inderdaad geen boer is, maar een goedbetaalde manager, een huurling van een uitzendkantoor uit Amsterdam. Niets mis dus met mijn voorgevoel. Maar wat zullen al die vrouwen zich belazerd voelen door KRO/NCRV.

maandag 22 augustus 2016

De mens van de Spelen

De mens van de Spelen: Inge Dekker



Uit het woordenboek:
Empathie is een ander woord voor inlevingsvermogen, de kunde of vaardigheid om je in te leven in de gevoelens van anderen. Het woord empathie is afgeleid van het Griekse woord ἐμπάθεια (empatheia), of invoelen.
Gebrek aan empathie: Maurits Hendriks.

12 Augustus, op een kille vrijdagavond in Rio de Janeiro, kwam er een einde aan een olympische carrière die maar liefst twaalf jaar (!) duurde. Ze deed al mee in Athene, Peking en Londen, ze was een ex-gouden medaillewinnares (Peking, 4 x 100 meter vrije slag), maar haar grootste triomf was het feit dat ze er ‘gewoon’ weer bij was in Brazilië.

Vorig jaar augustus (de 18de) werd zwemkampioene Inge Dekker 30. Dan ben je als topsporter in het zwembad al bijna toe aan je pensioen. Nog één keer vlammen in Rio, nog één keer voor een medaille gaan, een laatste olympisch kunststukje, het leven lachte haar toe.

 Als je als vrouw in Nederland 30 wordt, krijg je een oproep voor het bevolkingsonderzoek baarmoederhalskanker! Inge Dekker ging niet meteen, want ze had het zo druk. En ze voelde zich zo goed. Tot ze een paar maanden later las dat er bij schaatsster Thijsje Oenema melanoomkanker was ontdekt. Nog diezelfde dag maakte Dekker een afspraak. Even snel tussen het EK en de SwimCup door.

Onrustige cellen. Ze schrok zich rot. Zwemmen was opeens niet meer belangrijk. Overleven, daar ging het nu om. Want: Baarmoederhalskanker. Half maart werd ze geopereerd. Met succes. Het is eigenlijk al een klein wonder dat ze dan vijf maanden later het Estádio Aquático Olímpico in duikt.

Vierde werd ze met de estafetteploeg. Vierde op de 4 x 100 meter vrije slag, al jaren een succesnummer voor de Nederlandse vrouwen. Net geen medaille, natuurlijk was dat even slikken. Maar is een vierde plaats in een mondiale sport als zwemmen dan zo slecht? Rechtvaardigt een vierde plek op de Olympische Spelen dat je voortijdig op het vliegtuig naar huis wordt gezet, op wat al snel de losers-vlucht ging heten? Natuurlijk niet!

Die vlucht was een gedrocht van chef de mission Maurits Hendriks, inderdaad dezelfde man die turner Yuri van Gelder naar huis stuurde nog voordat de ringenfinale begon. Die daar ongelofelijk amateuristisch over communiceerde. Die daarna dagen onzichtbaar werd. Totdat hij, toen Dorian van Rijsselberghe goud won, opeens opdook aan de zijde van de koninklijke familie. Met de borst vooruit.

Diezelfde Maurits Hendriks die altijd zegt dat sporters motiveren zijn taak is, maar die ondertussen sipt dat het aantal door TeamNL behaalde medailles in Rio teleurstellend is. Maurits Hendriks die een uitzondering maakte voor Ranomi Kromowidjojo, het estafettemaatje van Inge Dekker. Omdat haar vriendje een dag voor het vertrek van de losers-vlucht in het open water goud won.

Het vriendje van Inge Dekker was, weliswaar niet als deelnemer, ook in Rio. Die had van tevoren een latere terugvlucht geboekt. Inge wilde graag bij hem blijven. Op eigen kosten in een hotel gaan zitten. Nog een aantal dagen samen met hem de andere Nederlanders aanmoedigen. Ze maakte immers deel uit van een T-E-A-M, van TeamNL. Maar zelfs dat mocht niet van Maurits Hendriks.

Afgelopen donderdag was Inge Dekker jarig. Zij was gedwongen terug in Nederland, haar vriend nog in Rio. Ze voelde zich eenzaam en alleen. Tijdens de sluitingsceremonie vannacht zaten veel Nederlandse topsporters thuis voor de buis. Met dank aan Maurits Hendriks, de narcist die dan ook nog eens vertelt dat hij tot en met Tokyo 2020 door wil gaan.

Inge Dekker zal er dan niet meer bij zijn. Ze zwom voor wat ze waard was in Athene, Peking, Londen en Rio. De voorbereiding op haar laatste ‘kunstje’ werd bruut verstoord door een vreselijke mededeling. Het was alleen al goud waard dat ze erbij was in Brazilië. Wat mij betreft is zij ‘de Mens van de Spelen’.

Natuurlijk is het fantastisch en buitengewoon wat Sanne Wevers heeft gepresteerd. Maar als ik chef de mission was geweest had ik Inge Dekker niet naar huis gestuurd, maar de vlag laten dragen tijdens de sluitingsceremonie.

dinsdag 9 augustus 2016

Yuri van Gelder

Geen water bij de wijn 


Ids Postma won in 1998 tijdens de Olympische Spelen van Nagano goud op de 1000 meter en vierde dat, terwijl andere sporters nog in actie moesten komen, ietwat al te uitbundig. Hij moest dan ook op het matje komen. “Niet zo slim, nooit meer doen jongen”, zei de chef de mission Ard Schenk vermanend. En hij voegde eraan toe dat de schaatser uit eigen zak de veroorzaakte schade moest betalen. Je kon het niet aan hem zien, maar Ard zal ongetwijfeld een glimlach hebben onderdrukt. Samen met zijn generatiegenoot Kees Verkerk had hij immers tijdens zijn eigen glansrijke carrière meer dan eens via de regenpijp van zijn onderkomen de weg naar een moment van vrijheid en ontspanning gezocht en gevonden. Ids Postma werd niet naar huis gestuurd.

In 1974 won het magische Nederlands voetbalelftal op het WK van de DDR. In het Walthotel Krautkrämer in Hiltrup vierde een deel van de ploeg daarop een uitbundig feestje. Met ‘een paar topless meiden’, in het zwembad. De Duitse boulevardkrant Bild Zeitung pakte groots uit. Sterspeler Johan Cruijff had die avond een lang en loodzwaar gesprek met vrouw Danny. Niemand werd naar huis gestuurd. Oranje speelde later ook gewoon de finale tegen West-Duitsland en liep daarbij overigens wel tegen de moeder aller nederlagen op.

Voor wielrenner Jacques Anquetil bestond God noch gebod. Als eerste mens op aarde won hij vijf keer de Tour de France. Zijn geheim had, zo zei hij zelf, drie pijlers: “Fazant met kastanjes, een fles champagne en een vrouw”. Hij had er nog een vierde aan toe kunnen voegen: het gebruik van grote hoeveelheden amfetaminen. Maitre Jacques werd niet door een ploegleider naar huis gestuurd. Hij was en bleef een held in Frankrijk.

Er zijn nog vele voorbeelden van topsporters die op ‘bijzondere’ manieren een ‘uitweg’ zochten voor een kokend stressniveau waar wij ons nauwelijks iets bij kunnen voorstellen. Topsporters die in een cocon leven, topsporters die psychisch enorm onder druk staan, niet alleen van de buitenwereld, maar ook door zichzelf opgelegd.
Tijdens de Olympische Spelen worden deze sporters ondergebracht in een hermetisch afgesloten Olympisch Dorp. Niemand komt erin. Geen pers, geen familie, zelfs niet de eigen man of vrouw. Wel worden er anno 2016 voor de zekerheid een paar honderdduizend condooms neergelegd, want tja, ook topsporters zijn soms maar gewone mensen. Vreemdgaan mag, als het maar binnen de hekken van het eigen Dorp gebeurt. Over normen en waarden gesproken.

Ik probeer me voor te stellen hoe het is als je ruim twaalf jaar op een werkelijk manische manier hebt toegewerkt naar die Olympische Spelen. Alles heb je ervoor over gehad. Je bent vooral door diepe dalen gegaan, bent zelfs in een Schotse kliniek in Edinburgh gaan afkicken van een cocaïneverslaving die je op weg naar dat voor jouw heilige en zo frustrerende doel bent opgelopen.

Die druk, die spanning, die stress, je kunt er zo moeilijk mee omgaan, het vreet je helemaal op. Maar je wilt zo graag, want je hebt nu eenmaal talent, je hebt aanleg. Het lichaam heeft alles, alleen die verdomde geest werkt niet altijd mee.

Je pompt jezelf volledig op. En dan is het eindelijk zover. Na die ruim twaalf (!) jaar sta je in Rio. En je haalt de finale, de laatste acht. Je Braziliaanse vriendin is naar de stad gekomen. Je wilt haar graag zien. Even weg uit Het Dorp, even bij je dierbare zijn, even de lucht uit dat hoofd, dat werkelijk op springen staat, laten sissen, iets drinken, ontspannen.

En dan spat alles een laatste keer en nu volledig uiteen.

Maurits Hendriks is geen Ard Schenk, 2016 is geen 1998, Rio geen Nagano. De tijden zijn veranderd. “De normen en waarden binnen TeamNL en de KNGU-turnploeg zijn op grove wijze overschreden”, luidt het verdict. Op grove wijze? Is Yuri van Gelder soms een lijntje gaan snuiven op het luxe cruiseschip van de Amerikaanse basketballers, die er niet aan moeten denken dat ze in Het Dorp zouden moeten slapen? Heeft hij daar meteen ook enkele vrouwen aangerand? Nee, zo erg was het, hoop ik althans, niet.

Wat was het dan? Hendriks hult zich veel te lang in stilzwijgen. Hij had er beter aan gedaan meteen volledige opening van zaken te geven. Nu laat hij alle ruimte om van Yuri van Gelder in recordtempo een karikatuur te maken. Want ook wat dat betreft zijn de tijden veranderd. Internet gaat meteen los. The Lord of the Rings is al binnen een uur verworden tot de Lord of the Drinks. Een DJ komt met een rap op de melodie van Drank en Drugs. Fotoshoppers leven zich helemaal uit. Moraalridders zien hun kans schoon.

Natuurlijk, het is een impulsief mannetje, die Yuri van Gelder. Hij heeft in het verleden diverse keren getoond dat zijn oersterke benen de ‘weelde’ van de absolute topsport niet kunnen dragen, dat hij niet kan omgaan met te veel spanning. Noem hem een recidivist. Noem hem dom, stom. Maar het is mij te gemakkelijk om hem nu zo hard en zo volledig neer te sabelen. De achterkant van zijn roem is definitief een mijnenveld geworden. Dat is diep triest. En gun je niemand. Hij is bovenal een patiënt.

Had Maurits Hendriks niet net als Ard Schenk indertijd een beetje water bij de wijn kunnen doen? Moest er binnen TeamNL zo drastisch worden overgegaan tot karaktermoord? Normen en waarden? Zijn wij Nederlanders niet, zoals ook op vele gebieden in de ‘normale’ maatschappij, weer eens roomser dan de Paus? Of is er echt iets heel ergs gebeurd?

Ik weet het niet. Feit is in elk geval dat Yuri van Gelder, voormalig Lord of the Rings verder door het leven zal gaan als die patiënt, die in al die lange twaalf jaren blijkbaar niemand is tegen gekomen die hem kon helpen, die hem tegen zichzelf in bescherming kon nemen. Ook dat had een taak van Maurits Hendriks en zijn team kunnen, misschien wel moeten, zijn.

zondag 19 juni 2016

Zonder feestmuts


Feestdagen zonder feestmuts


Het was de week van de vlaggen, de hunkering naar beter weer en de vaders. Op de tijdlijn van mijn FB-pagina zag ik het allemaal voorbij komen en wat me daarbij opviel is dat bij opvallend veel mensen geluk toch wel een hoog prikkeldraadgehalte heeft. Natuurlijk, een altijd alleen maar vrolijk mens zou je ook een oppervlakkig wezen kunnen noemen, toch weiger ik, zoals sommigen blijkbaar doen, te geloven dat geluk niet meer is dan verdriet dat even uitrust.
Ik kan het niet ontkennen, ik doe er zelf ook aan mee, ik kan een behoorlijk stuk sacherijn zijn. Meer dan eens moet ik mijzelf tot de orde roepen. Maar er zijn momenten dat je niet alleen jezelf, maar ook je directe omgeving tekort doet door in een soort verdrietmodus te blijven staan.
“Hoera, geslaagd!” Ik zag het deze week héél veel voorbijkomen. “Trots op mijn mooie meisje” - en “Ongelofelijk blij met mijn slimme jongen." Heerlijk, mooi. In de gloria. En terecht! Maar - en daar wil ik mij nu even toe beperken - ik zag ook reacties voorbijkomen van ouders bij wie al het jubelende vlagvertoon voor een trieste nevel zorgde. “Mijn kind zal nooit voor iets kunnen slagen” en “Het doet mij beseffen dat ik zoiets nooit zal kunnen meemaken, dat stemt mij erg verdrietig."  
Ik zie dit ook wel eens bij verjaardagen. Dat mensen blij zijn als zo’n dag weer voorbij is. Blijkbaar kunnen die eenzelfde soort emoties oproepen bij ouders van gehandicapte kinderen, want daar heb ik het over.
Laat ik vooropstellen dat ik dat begrijp, dat het ook allemaal ontzettend zwaar is, dat ik echt wel weet wat het allemaal in je losmaakt. Maar juist op feestdagen vind ik het belangrijk om iets anders uit te stralen.
Woorden geven de werkelijkheid richting. Wat je uitspreekt ga je denken, voelen, doen. Dat kan ook zijn uitwerking hebben op diegene waar je juist het meest van allemaal van houdt, je zorgintensief kind. Niet alleen liefde is besmettelijk, zorgen zijn dat ook. Het vermenigvuldigt zich allebei wanneer je het met iemand deelt.
Onze kinderen zijn allemaal pelgrims op dezelfde reis. Sommigen hebben betere wegenkaarten dan anderen. En er zijn er ook die helemaal geen wegenkaart hebben. Juist die hebben behoefte aan extra zon en kunnen slecht tegen mist en regen. Maakt een bombardement aan geslaagden of een verjaardagsfeest van je kind je extra verdrietig, dan werp je barricaden op tegen jezelf en dus je kind.
Soms moet je juist op die barricaden gaan staan voor dat kind, soms, als je weer eens een tenenkrommende brief van de gemeente, de overheid of zorginstantie krijgt, is het goed om al je energie samen te ballen en met luide stem je ongenoegen kenbaar te maken. Hulde! Respect! Maar er zijn van die dagen dat het loont om het even allemaal los te laten, want ik ben ervan overtuigd dat het ook met loslaten en acceptatie heeft te maken.
Feestdagen, dagen waarop je, al is dat nog zo moeilijk, even alle zorg en verdriet opzij moet proberen te zetten. Zelfs al past die feestmuts je niet. Geloof me, je krijgt er ook wat voor terug.


donderdag 19 mei 2016

Zeurpiet

Uitslag van onze nationale zeurpiet Syl


The Music Factory? Opeens weet ik het. Die Nederlandstalige televisiezender die voornamelijk videoclips van popmuziek uitzond.1995. Bridget Maasland, Erik de Zwart, Fabienne de Vries, Michael Pilarczyk, Wessel van Diepen. Juist ja, TMF dus. De laatste tijd vroeg ik me als ze op televisie was af waar ze eigenlijk vandaan kwam, hoe en wanneer ze in hemelsnaam een bekende Nederlander heeft kunnen worden die overal te pas en te onpas haar uitgesproken en vaak bizarre mening mag ventileren en daar, bij pakweg DWDD, nog voor betaald krijgt ook.

Silvana Hildegard (Sylvana) Simons, daar heb ik het dus over. Van 31 januari 1971. Paramaribo. Soms, als ik haar in een televisiestudio zie zitten, moet ik kijken of ze het wel echt is. Telkens een volstrekt ander ‘haarwerk’. Of opeens juist een kaal hoofd. Verwarrend. Maar als ze dan haar mond open doet en zoals gewoonlijk een verontwaardigde woordendiarree over ons uit begint te storten, is meteen alle twijfel verdwenen. Dat kan alleen maar onze Syl zijn, ons nationale geweten, onze enige echte zeurpiet.

Meer en meer is het moment dat zij gaat praten voor mij een zapmoment geworden. Ik weet niet meer precies wanneer dat is begonnen, maar ik krijg de vreemdste uitslag van Syl. Allergische reacties. Dan is het dus beter om zoveel mogelijk elk ‘contact’ te vermijden.

Gisteren waren mijn lieve, zorgzame vriendin en ik verwikkeld in een gesprek over de gezondheidszorg, over hoeveel er nog mis is, hoe weinig empathie en hoe veel onbegrip er ook nog steeds is bij de ‘gezonde’ medemens. We vroegen ons af waarom zo weinigen zich daar echt druk om maken. En opeens hoorden we op de achtergrond haar stem.

Ze had twee nieuwe vriendjes bij zich. Nog lang niet zo bekend als zij inmiddels is, maar net vaak genoeg op televisie geweest om te weten dat zij tot dezelfde virusgroep behoren. Snel die televisie uitzetten dus. Oef, net op tijd. En verder praten over de vaak onvoorstelbare dingen waar de zieke, gehandicapte of afhankelijk geworden oudere medemens mee te maken heeft, zaken waar je je dus echt druk om kunt maken.

Maar vandaag zie ik de ene na de andere column voorbij komen. Syl wordt uitgemaakt voor golddigger, uitgenaste poseur, Surinaamse troelala en ga zo maar door. ‘Self-called socialiste sluit zich aan bij salafisten’, lees ik ergens. Ik weet niet hoe dat komt, maar soms wint de nieuwsgierigheid het dan uiteindelijk van het gezonde verstand. Stom. Want zojuist heb ik toch maar even naar Uitzending Gemist gekeken.

Syl heeft, zo blijkt, zich aangesloten bij de zelfbenoemde emancipatiebeweging Denk, die volgens mensen die het kunnen weten, deel uitmaakt van ‘de lange arm van Ankara’. Ze gaat de politiek in met mensen die Turkse parlementariërs die terecht vinden dat de massamoord op de Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog genocide was, publiekelijk aan de schandpaal hebben genageld. Syl is dus lid geworden van een partij die deze genocide ontkent en die door Kamerlid Marcouch niet zomaar een soort moslim-PVV werd genoemd.

Rancuneus, populistisch en geneigd tot intimidatie van andersdenkenden. Syl ‘doet het’ nu met de Kamerleden Tunahan Kuzu en Selçuk Öztürk, die zich anderhalf jaar geleden afsplitsten van de PvdA-fractie, mannen die maar wat graag provoceren en intimideren, spijkers op laag water zoeken en ‘de botte bijl’ hanteren. Mannen die zich per definitie gediscrimineerd voelen terwijl ze zelf juist discrimineren. Mannen die wederzijds respect prediken, maar vooral boos zijn op alles en iedereen. Mannen die Nederland als DE VIJAND neerzetten.

Met open mond kijk ik naar De Wereld Draait Door, waar Syl samen met Tunahan Kuzu en de al eerder voor Denk gestrikte wildebras Farid Azarkan zit. Hoor ik dat goed? Keurt ze nu zelfs goed dat Ebru Umar werd gearresteerd in Turkije?

Op internet zie ik een grap voorbij komen. Kent u die mop van die Surinamer, die Turk en die Marokkaan die samen op reis gingen? Ze gingen niet!

Maar 1 april is al geweest. En 5 december is nog ver weg.

Met dit nieuwe knutselwerk helpt beroepszeur Syl zichzelf in elk geval alvast de zomer door. Een volwassen gezonde zeurpiet consumeert jaarlijks anderhalf maal zijn eigen gewicht aan het geduld van anderen. Nu lijkt Syl mij niet al te zwaar, maar toch, ik krijg er nu alweer vlekken van. Al helemaal als ik hoor dat ze Denk ziet als ‘een frisse wind in een dorre woestijn’.

Ik kan alleen maar hopen dat die frisse wind later niet meer dan een storm in een glas water blijkt te zijn. Dat de politieke carrière van Sylvana Simons niet langer zal duren dan die van Peter R. de Vries. Anders is emigreren misschien nog de enige optie. Om gezondheidsredenen.

zondag 10 april 2016

Vriend Johan

Vandaag wordt Parijs-Roubaix gereden, de wielerklassieker die mij voor altijd zal doen denken aan mijn grote vriend Johan Woldendorp. Waarom lees je in het laatste hoofdstuk van mijn boek 'Onderweg' dat ik heb opgedragen aan hem...



Johan

Van alle reportages die ik in al die jaren maakte, koester ik die van de Tour de France het meest. Eigenlijk is dat raar, want nergens moet er zo hard worden gewerkt als in die ruim drie weken durende doldwaze wereld van de Ronde van Frankrijk. Geen enkel ander evenement ter wereld jaagt je bloeddruk zozeer omhoog en heeft zo veel impact op je lijf en leden.
Elke dag urenlang achter of voor het peloton rijden. Je eigen of andermans leven wagen als je kriskras door die vermaledijde reclamekaravaan moet scheuren, om in de finale van de wedstrijd, als het tempo opeens enorm omhoog gaat, toch vooral maar op tijd in de perszaal te zijn. 
Tijdens de beklimmingen in de cols over de voeten van opdringerige toeschouwers rijden. Ze gaan niet opzij en je moet er toch door, want achter je komen de renners al en je wilt het niet op je geweten hebben dat die in de remmen moeten knijpen omdat jij te schijterig bent om gas te geven. 
Tijdens de afdalingen soms onverantwoorde risico’s nemen, want renners dalen op twee smalle bandjes sneller dan jij in je logge auto op vier wielen. En je wilt toch niet dat ze, als ze een bocht uitkomen, pardoes door je achterruit naar binnen vliegen.
Na afloop van elke etappe, tussen een krioelend mierennest van supporters en vakantiegangers, je weg zoeken naar alweer een ander hotel. Met alweer een ander bed. Wat zal het deze keer zijn? Te hard of te zacht? Als er maar een bed is. Als de kamer die je al maanden geleden hebt gereserveerd én betaald maar niet is weggegeven aan een van de sponsoren van de Tour, omdat Toursponsor Coca-Cola die dag niet met de aangekondigde twintig, maar met vijftig vertegenwoordigers aanwezig is.
Hopen dat je die kamer niet met een ander hoeft te delen en dat je deze keer wel een eigen douche en toilet tot je beschikking hebt. Geen zin meer hebben om al die zware koffers met archieven en kleren naar driehoog te sjouwen, omdat er alweer geen lift is. Hoe zit het nu met de kleren? Even ruiken. O ja, dit is de vuile was. Vooral apart houden van de schone.
Dag in dag uit jakkeren. Soms inderdaad met die blik op oneindig en het verstand op nul. Net doen alsof er op dat moment niets belangrijkers is. En bovendien accepteren dat de televisie in dit wereldje van gesponsord geluk duizend keer belangrijker is dan jij. Dat je als schrijvende journalist op de laatste plaats in de pikorde komt.
Het is een vreemd soort verslaving. Wie één keer deel heeft uitgemaakt van dit doldwaze circus dat Tour de France heet, wie heeft laten zien dat hij het aankan, wil er toch elk jaar weer naartoe. Ondanks de ogenschijnlijk complete chaos. Ondanks de onverantwoorde werktijden. Want in de Tour heb je nooit vrij en ben je altijd bezig. De Tour rijdt altijd door, die wacht op niemand.
Parijs halen is het adagium, het gevleugelde woord. Niet alleen bij de renners, ook bij de journalisten. Mij is het in al die lange jaren één keer overkomen dat ik Parijs niet heb gehaald. Dat was in 1997. Ik beschouw dat nog steeds als de donkerste bladzijde uit mijn journalistieke loopbaan. Het was mijn eigen schuld, ik had beter moeten luisteren. 
Ik ben al ziek als ik uit de Ronde van Zwitserland kom, waar ik altijd heen ga om zo veel mogelijk interviews voor de Tourbijlage van de krant te maken. ‘Een hardnekkige keelontsteking en oververmoeid’, zegt de huisarts. ‘Je moet nodig even rust nemen.’
Rust? Hallo zeg, dat kan nu echt niet! Morgen is het Nederlands kampioenschap, daarna heb ik drie dagen de tijd om zeventien lange interviews uit Zwitserland uit te werken, en dan zit ik al in de auto richting Frankrijk. De Tour is het belangrijkste evenement van het jaar. Ik ben de specialist, de kenner en de krant rekent op mij!
Er is ook niemand die dit zomaar van me kan overnemen, want niet iedereen kan zo’n loodzware reportage aan. Geef me dus maar een paardenmiddel. Over een maand ga ik wel even uitzieken.
Natuurlijk kan er een ander gaan. Niemand is onmisbaar, iedereen is vervangbaar. Maar je maakt jezelf dat zo graag wijs.
Dat paardenmiddel helpt natuurlijk niet als je jezelf als een ezel gedraagt en maar doorgaat. Johan, al vele lange jaren mijn reismakker, schrikt als hij me ziet. Hij is wel wat van mij gewend, maar deze keer zie ik er volgens hem toch echt beroerd uit.
‘Zal ik rijden?’ vraagt hij vriendelijk.
‘Ben je gek! Jij leest kaart, ik rij!’
Ik heb hem in al die jaren maar één keer laten rijden. Tien minuten! Dat was toen we met de Tour de oversteek van Engeland naar Frankrijk moesten maken, in 1994.
Op de boot moeten wij proberen te slapen op zalen met tientallen mensen tegelijk, in van die vliegtuigstoelen. Er wordt gesnurkt, er wordt gerocheld en ik kan daar niet tegen. Dus loop ik onrustig het dek op, waar een collega van de NOS-radio met een fles champagne staat. Samen maken Jeroen en ik die leeg. We bestellen er nog een. En nog een.
Als de zon opkomt zingen Jeroen en ik, nog steeds boven op dat dek, luidkeels een ‘ode aan de zee’. En als we in Normandië van boord moeten gaan en meteen moeten aanschuiven voor al weer een volgende etappe, geef ik de autosleutel aan Johan. Om er binnen tien minuten achter te komen dat het volgens mij toch echt veiliger is als ik dronken achter het stuur zit, in plaats van deze man, die zoals altijd een goede nachtrust genoten heeft maar geen goede autocoureur is.
Hij sputtert niet eens tegen. De rollen in ons duoteam zijn nu eenmaal duidelijk: ik rij en hij leest kaart. 
Ik ben opeens weer nuchter als we even later door Sainte Mere Eglise rijden. Langs de kerk die ik herken van De Langste Dag, de film D-Day. Het was de eerste, grote film die ik als kind samen met mijn vader keek. Op mijn verjaardag kreeg ik van hem bovendien het boek. En mijn vader is dit jaar overleden. Dus ik wil hier echt even stoppen, de Tourkaravaan verlaten en een kaarsje voor hem opsteken.
Johan, meestal iemand die toch zo snel mogelijk naar de perszaal wil rijden, desnoods ver voor de renners uit, begrijpt het. Ik hoef verder niets uit te leggen. Eigenlijk is hij best een goede vriend geworden, denk ik op dat moment, iets wat journalisten onder elkaar niet snel zeggen.
Jaren voor dit intieme moment in de kerk van Sainte Mere Eglise heeft het toeval − dat geen toeval kan zijn, want ik geloof daar niet zo in − ons bij elkaar gebracht. In de Tour mag je niet alleen in een volgauto zitten, dat maakt de toch al veel te lange karavaan alleen maar langer. Je moet combinaties vormen en in zee gaan met landgenoten. Zelfs al werken ze bij een andere krant en ook al zijn het jouw concurrenten, je zoekt het maar uit.

Johan en ik hebben elkaar op die manier gevonden. Een lange, stugge, serieuze Groninger en een vrolijke, extroverte, overgevoelige Limburger. Hoe verzin je het? Hij is de archivaris, ik degene die altijd op de werkvloer wil zijn en met eigen ogen wil zien wat er gebeurt.
Voor de start van de Tour van 1997, waarin hij dus een tweede keer voorstelt om te rijden, deze keer niet omdat ik dronken ben maar gewoon erg ziek, zijn mijn ogen niet zo helder. Ik worstel mezelf van etappe naar etappe. Op advies van Johan zoek ik de Belgische ploegarts van de Rabobank op en vraag hem of hij niets sterks heeft wat me op de been houdt. Geen denken aan. Zijn advies: ‘Ga naar huis, uitzieken en wel meteen!’
Met weemoed denk ik terug aan Jean, in een andere voorgaande Tour. Johan en ik trekken regelmatig met de mannen van de NOS-televisie op. Niets gezelliger dan ’s avonds laat met z’n viertjes na gedane arbeid een goed glas wijn te heffen. Johan, Jean, Mart en ik. Tot die keer dat ik bedank. Dat kan toch niet waar zijn? Wat is er aan de hand met mij, anders zo stevige drinkenbroeder?
Ik ben al dagen aan de diarree. ‘Ach, jongen,’ zegt ‘ome’ Jean, ‘had dat toch eerder gezegd. Kom even mee naar mijn kamer, dan geef ik je iets waar je snel van opknapt.’ Met verbazing kijk ik toe hoe hij even later een koffer vol pilletjes, drankjes en weet ik wat al niet meer opent. ‘Hier kan ik hele pelotons mee in koers houden.’ 
Jean pakt een flesje, laat wat druppeltjes van het spul op een suikerklontje vallen en geeft dat aan mij. Een uur later voel ik mij al een stuk beter. Ik hoef ook niet meer telkens naar de wc te rennen, als ik dat wondermiddeltje maar even blijf slikken. ‘Vijf druppeltjes op een suikerklontje is al genoeg.’
Johan vindt mij in die dagen een wel erg gezellige reisgenoot, alleen ben ik nogal sloom. Dat is hij van zijn altijd hollende en vliegende collega niet gewend. Ik mag best wel wat relaxter zijn, maar zo relaxt is toch wel verdacht.
Stiekem vraagt hij aan Jean wat zijn geheime recept is. ‘Homeopathische druppels cocaïne’, fluistert hij hem in het oor. Als ik Jean daar later een keer op aanspreek reageert hij met een brede lach. ‘Je wilde Parijs toch halen? Nou dan, het is je toch gelukt?’
Inderdaad, die keer wel. Maar nu, als Jean er niet meer bij is en als ook de dokter van de Rabo-ploeg mij niet wil helpen, haal ik Parijs niet. Tijdens de tijdrit zak ik buiten naast de  auto zomaar in elkaar. Iemand sleept mij de perszaal in.
Voordat ik er erg in heb lig ik daar op de grond met een zuurstofmasker op de mond, want ik stik, ik stik echt. De inderhaast opgeroepen arts scheurt mijn hemd open en sluit gelukkig uit dat het een hartinfarct is. Blijkbaar is de virusinfectie die mij al zo lang teistert op mijn luchtwegen geslagen.
Johan zit al die tijd voorovergebogen naast me op de grond, houdt mijn hand vast en praat tegen mij. Ik kan hem amper verstaan. Wel hoor ik nog iemand roepen dat er een helikopter moet komen. Johan bedenkt zich geen moment. Hij laat al zijn spullen achter in de perszaal en blijft bij mij, net zo lang tot ik in goede handen ben.
Hij belt vanuit het ziekenhuis zijn krant en vertelt wat er aan de hand is. Als hij er vandaag niet meer in slaagt om een verhaal over de tijdrit door te sturen weten ze hoe dat komt. Ik weet niet wat ik hoor. Onze verhalen zijn altijd heilig, verzaken doen we nooit. ‘Jij bent nu even belangrijker’, zegt Johan en ik zie een traan bij hem opwellen. Vanaf dat moment noem ik hem altijd ‘mijn beste vriend’.
Een stugge, serieuze Groninger en een extroverte, vrolijke maar overgevoelige Limburger, ‘brothers in arms’. Daar in dat ziekenhuis zie ik opeens hoezeer we in al die jaren naar elkaar toe zijn gegroeid. Ik bedenk dat ik hem al eerder heb zien huilen, in de Tour van 1995.
Vierendertig kilometer duurt in die verschrikkelijke Tour de vijftiende etappe voor Fabio Casartelli, rugnummer 114 van de Motorola-ploeg. Het is net half 11 geweest als door de ronderadio het woordje chûte, valpartij, schalt. Volgauto’s remmen, portieren gaan open, de verwarring is groot. Wie liggen er allemaal bij?
Het peloton is tijdens de beklimming in groepjes uiteengevallen en tijdens de afdaling loopt de snelheid op tot boven de 90 kilometer per uur. Er is iemand in het ravijn gevallen, zo wordt snel duidelijk. Een meter of acht naar beneden roept Dante Rezze om hulp. Twee mensen pakken een touw en halen hem uit het ravijn. Hij wordt de ambulance in gedragen. Hij heeft nog geluk gehad, want zijn val is geremd door een paar struiken.
Pas als Rezze is gered valt op dat er, tussen een ander groepje omstanders, nog steeds iemand op de grond ligt. Fabio Casartelli is met zijn hoofd tegen een van de betonnen paaltjes langs de kant geknald. Hij ligt er grotesk bij. Bloed stroomt vanuit zijn hoofd over het asfalt. Hij wordt gereanimeerd.
Erik Breukink heeft het zien gebeuren en is hevig aangedaan. Hij beseft dan nog niet dat de gil die hij hoorde het laatste geluid is dat Casartelli maakt. Ook Johan Museeuw is betrokken bij de valpartij. Hij zit met een bezeerde knie op de grond, kijkt naar zijn collega en weet eigenlijk al dat hij dood is, maar weigert dat te geloven.
Ten slotte wordt Casartelli de ambulance in gedragen. Die rijdt een klein stukje naar beneden en stopt weer. Op een plek waar nauwelijks ruimte is landt een helikopter. Die brengt Casartelli naar het ziekenhuis in Tarbes.
Ondertussen dendert de Tour door. Richard Virenque, de glorieuze winnaar van deze koninginnenrit, hoort pas op het podium op de top van de Cauterets wat er is gebeurd, dat zijn collega Casartelli is overleden. Maar de populaire Fransman laat zich toch huldigen, alsof er niets aan de hand is.
Terwijl iedereen, en dus ook hij, weet dat Fabio Casartelli is overleden. Pas 24 jaren jong, getrouwd met Annamarie, die nog maar vier maanden eerder is bevallen van zoon Marco. In de perszaal geeft Virenque vervolgens een lange verhandeling over deze voor hem toch zo geslaagde dag.
Hij praat over de verkoudheid die hem parten speelde in de Alpen, waar hij zijn hartslag niet hoger dan 165 slagen per minuut kreeg, over dat hij vandaag in de Pyreneeën die hartslag weer op zijn normale limiet van 185 heeft weten te krijgen. Over dat deze zege nog veel mooier is dan die van vorig jaar en over bla, bla, bla…
De Franse televisie jubelt nog ruim een uur na over de victorie van hun Virenque. Op de uitslagenlijst van die dag staat achter de naam Casartelli alleen het woordje ‘abandon’, uitgevallen. Net als de renners Belli, Rezze, Baldinger, Aguirre, Boscardin, Rojas en Camargo.
Johan en ik kijken elkaar aan, ons ongeloof neemt alleen maar toe. Hallo chauvinistische Fransen, er is hier vandaag in jullie land, in jullie Ronde een wielrenner overleden! Zuchtend duikt Johan in zijn onvolprezen archief om zo veel mogelijk gegevens over Casartelli op te zoeken.
Ik kan even niet meer en loop aan de achterkant naar buiten. Verscholen tussen het groen stroomt een wild riviertje. Het water klettert naar beneden. Een ideaal plekje om tot rust te komen. Ik heb alle tijd, want ik werk voor een middagkrant. Johan niet, dus die moet meteen volop aan de slag en kan niet even een moment van bezinning inlassen.
De volgende dag opent de organiserende krant met een paginagrote foto van winnaar Virenque, met onderin een piepklein portretje van Casartelli. Maar gelukkig is er voor de start van de zestiende etappe toch eventjes die stilte, die zo zwaar en doorzichtig is als kristal.
De ‘pompom-meisjes’ van sponsor Coca-Cola, die Barbiepoppen met hun lege omhulsels, dansen voor deze ene keer niet hun opwindende dansje. Het jazzorkestje dat elke ochtend optreedt houdt de instrumenten ingepakt. Pas de dag na het vreselijke ongeluk dat Fabio Casartelli het leven kostte, komt ook het commerciële circus van de Tour eindelijk voor even tot inkeer.
Tranen hebben meer kracht dan woorden, zo blijkt dan maar weer eens. José de Cauwer pakt de huilende Hennie Kuiper vast, omhelst hem en wrijft over zijn rug. Ooit was De Cauwer de waterdrager van Kuiper. Eens een knecht, altijd een knecht, de wetten van het peloton gelden ook in tijden van groot verdriet.
Als Kuiper, een van de ploegleiders van de overleden Casartelli, even later wordt belaagd door ons journalisten, verwijdert De Cauwer zich stilletjes en barst, als zijn oude meester het niet meer kan zien, zelf in snikken uit.
Nu moet ik aan de slag, zo kort voor mijn deadline nog even vliegensvlug een actueel verhaaltje hierover tikken. Johan hoeft dat niet. Zijn krant ligt al in de schappen. Enkele straten verderop vind ik een pleintje waar het rustig is. Ik doe mijn werk en als ik klaar ben loop ik terug naar het dorpsplein van Tarbes, naar de plek waar de renners al weer vertrokken zijn voor de volgende etappe. Want tja, er moet toch worden gekoerst. De Tour wacht op niemand, en iedereen wil ook dit jaar weer Parijs halen.
Johan komt aanlopen en valt mij snikkend in de armen. Achter hem komt Mart, maar als hij dit tafereel ziet vertraagt hij zijn pas en draait om. Hij laat dit moment voor ons tweeën.
Zwijgend rijden Johan en ik daarna naar Pau, de volgende aankomstplaats. We volgen de koers deze keer voor de televisieschermen van de perszaal en zien hoe de renners zelf gelukkig ingrijpen.
Gianni Bugno werpt zich op als de ‘patron’ van de dag. Hij is de kampioen van Italië, Casartelli was een Italiaan en Bugno neemt zijn verantwoordelijkheid. Niemand mag aanvallen, er wordt in wandeltempo en ‘en groupe’ de hele dag over de laatste Pyreneeëncols gereden. Televisieproducenten vloeken, in Pau staan de sponsors urenlang te knarsetanden. Aan het einde van een lange, loodzware en snikhete dag komt er in datzelfde Pau ten slotte ook een einde aan een even lugubere als indrukwekkende solidariteitsmanifestatie.
Andrea Peron, de kamergenoot van Casartelli, de man ook die namens de ploeg de vrouw van de overleden renner belt en van haar te horen krijgt dat de familie wil dat de Motorola-ploeg in koers blijft, mag als eerste de eindstreep passeren. Met in zijn spoor de teamgenoten Lance Armstrong, Frankie Andreu, Steve Bauer, Alvaro Mejia en Stephen Swart. Het peloton volgt op een gepaste honderd meter afstand.
Een waardig en mooi eerbetoon van de renners zelf. Maar oud-renner Bernard Thevenet, die lid is van de organisatie, noemt de actie van de coureurs een schande. Hij vindt dat ze het publiek hebben bestolen. ‘Het zijn profs en profs moeten hun pijn kunnen verbijten. Dit is belachelijk.’ Maar het zijn de woorden van Thevenet die belachelijk zijn. Zoals ook de euforische zegetocht van Virenque en de geringe aandacht die de Franse krant aan het overlijden van Casartelli besteden, belachelijk zijn.
Gelukkig geeft het peloton de Fransen en de Tourorganisatie een lesje in waardigheid. Johan en ik schrijven dat allemaal goedkeurend op en merken dat we ook door deze gebeurtenis weer een stuk dichter naar elkaar toe zijn gegroeid.
Dat gebeurt trouwens niet alleen in het verdriet, niet alleen bij de dood van Casartelli of tijdens die Tour waarin ik Parijs niet haal, maar ook door alle lol die we samen maken. Tijdens de Ronde van Frankrijk hebben we bijvoorbeeld elk jaar onze eigen Tour de France-hit. Daarmee beginnen we steevast de dag in de auto. Keihard, en uiteraard uit volle borst meezingend. Menige Fransman heeft voor rode stoplichten verbaasd naar die twee rare mannen in de auto naast hem gekeken. We gaan er alleen maar harder door zingen.
En dat terwijl zingen niet bepaald onze sterkste kant is. Dat horen anderen ook als we in het Chinatown van het Canadese Calgary voor het eerst in ons leven kennis maken met het toen in Europa nog onbekende fenomeen karaoke.



Johan moet en zal ook een liedje zingen: ‘Song Sung Blue’ van Neil Diamond. Zo vals heeft de groep nog maar zelden iemand horen zingen, maar Johan trekt zich niets aan van het commentaar. Hij geniet, trekt de schoenen uit − alsof dat helpt − en gaat er nog maar eens goed voor zitten.
 Het is ook heel dankbaar om Johan aan het lachen te maken. Daar komt hij dan bijna niet meer uit. Omstanders denken weleens dat hij aan het stikken is, maar dat is gewoon zijn manier van lachen.
 Soms zullen we ook wel irritant zijn geweest voor anderen. Zoals die keer dat we uit Italië komen en we ons hebben aangeleerd om elk woord op een i te laten eindigen, want dat klink zo lekker Italiaans. Ik ben vanaf dat moment Guidi, we zijn amici en journalisti Olondesi. Het wordt een gimmick die we wel erg ver doorvoeren en lang volhouden. Thuis begrijpen de kinderen hun eigen vader niet meer. Wat is daar nou zo lollig aan?
 ‘Later, als ik groot ben, ga ik een boek schijven over wat ik allemaal meemaak met jou, want jij bent echt niet normaal’, zei Johan altijd. Dat boek komt er niet.
Voor het eerst in vele jaren is Johan zonder mij naar de wielerklassieker Parijs-Roubaix afgereisd. Ik zit op dat moment tot over mijn oren in de privéproblemen en heb besloten om thuis te blijven. Johan probeert me nog over te halen, maar ik leg hem uit waarom hij het voor deze ene keer toch echt zonder mij zal moeten doen.
Die avond, 8 april 2000, krijg ik een telefoontje van collega Peter. Ze zaten te eten in het mij welbekende Hotel Restaurant du Nord van Compiègne, en Johan is zomaar omgevallen, net voordat het hoofdgerecht zou worden opgediend. Ze denken aan een hartinfarct en zijn hem op dat moment aan het reanimeren. Ik ken zijn vriendin het beste van iedereen, dus of ik haar kan bellen?
Voorzichtig probeer ik Ineke uit te leggen wat ik zojuist heb gehoord en ik vraag haar of ik haar zal komen ophalen, nu meteen, om samen naar Frankrijk te rijden.
‘Heb je gedronken?’
‘Ja, vier glazen wijn.’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Ga eerst maar even slapen, dan rijden we morgen. Dat is wel zo veilig.’


Natuurlijk ga ik niet slapen. Ik schenk juist nog een vijfde glas in en ga naar de telefoon zitten staren. Als die eindelijk rinkelt veer ik toch geschrokken overeind.
Peter: ‘Het is afgelopen, ze hebben niets meer kunnen doen. Hij is dood. Bel jij Ineke?’
Ik kan en wil het gewoon niet geloven, en ik word boos. Johan, je bent pas 53 jaar, wat flik je me nou? Ga je één keer zonder mij op reis en dan ga je gewoon dood. Ik ben degene die rookt. Ik ben degene die zo ongezond leeft en altijd wel wat heeft. Niet jij!
De volgende dag vertrekt het wielerpeloton gewoon naar Roubaix. De koers gaat altijd door. Mart vertelt tijdens de live-uitzending op televisie een prachtig verhaal over die lange uit Groningen. Hij schrijft later die dag ook het verslag dat Johan voor dagblad Trouw had moeten schrijven. Uiteraard een veel te lang verhaal, maar de eindredactie besluit er gelukkig niet in te schrappen.
Op de crematie is iedereen aanwezig. Collega’s uit België, Spanje, Italië, Duitsland en Frankrijk, want al zijn de sportevenementen nog zo groot, het is een kleine wereld.
Ik kan het niet opbrengen om te spreken, ik ben te zeer overmand door emoties. Wel laat ik onze muziek draaien, de liedjes die we elk jaar weer opnieuw uitzochten om onze Tourdag mee te beginnen. Ik probeer me voor te stellen hoe de volgende Tour zal zijn, zonder Johan. Met iemand anders naast me. Ik heb er geen zin meer in. Dan maar geen Tour meer.
Thuis blader ik door de vele columns die hij heeft geschreven en waarin ik regelmatig een rol speelde, omdat er nu eenmaal altijd wel iets aan de hand was met mij. ‘Mijn zeer gewaardeerde collega G.’ word ik dan genoemd. Zijn columns waren altijd kort, compact en prachtig proza.
‘Later, als ik groot ben, ga ik een boek schijven over wat ik allemaal meemaak met jou.’ Elke keer als hij dat zei vertelde hij er wel een verhaaltje bij en dan schoot hij in die hikkende, haast stikkende, maar zo aanstekelijke lach. 
Ik kan niet zo mooi schrijven als jij, maar lieve Johan, dit laatste hoofdstuk is voor jou!