zondag 10 april 2016

Vriend Johan

Vandaag wordt Parijs-Roubaix gereden, de wielerklassieker die mij voor altijd zal doen denken aan mijn grote vriend Johan Woldendorp. Waarom lees je in het laatste hoofdstuk van mijn boek 'Onderweg' dat ik heb opgedragen aan hem...



Johan

Van alle reportages die ik in al die jaren maakte, koester ik die van de Tour de France het meest. Eigenlijk is dat raar, want nergens moet er zo hard worden gewerkt als in die ruim drie weken durende doldwaze wereld van de Ronde van Frankrijk. Geen enkel ander evenement ter wereld jaagt je bloeddruk zozeer omhoog en heeft zo veel impact op je lijf en leden.
Elke dag urenlang achter of voor het peloton rijden. Je eigen of andermans leven wagen als je kriskras door die vermaledijde reclamekaravaan moet scheuren, om in de finale van de wedstrijd, als het tempo opeens enorm omhoog gaat, toch vooral maar op tijd in de perszaal te zijn. 
Tijdens de beklimmingen in de cols over de voeten van opdringerige toeschouwers rijden. Ze gaan niet opzij en je moet er toch door, want achter je komen de renners al en je wilt het niet op je geweten hebben dat die in de remmen moeten knijpen omdat jij te schijterig bent om gas te geven. 
Tijdens de afdalingen soms onverantwoorde risico’s nemen, want renners dalen op twee smalle bandjes sneller dan jij in je logge auto op vier wielen. En je wilt toch niet dat ze, als ze een bocht uitkomen, pardoes door je achterruit naar binnen vliegen.
Na afloop van elke etappe, tussen een krioelend mierennest van supporters en vakantiegangers, je weg zoeken naar alweer een ander hotel. Met alweer een ander bed. Wat zal het deze keer zijn? Te hard of te zacht? Als er maar een bed is. Als de kamer die je al maanden geleden hebt gereserveerd én betaald maar niet is weggegeven aan een van de sponsoren van de Tour, omdat Toursponsor Coca-Cola die dag niet met de aangekondigde twintig, maar met vijftig vertegenwoordigers aanwezig is.
Hopen dat je die kamer niet met een ander hoeft te delen en dat je deze keer wel een eigen douche en toilet tot je beschikking hebt. Geen zin meer hebben om al die zware koffers met archieven en kleren naar driehoog te sjouwen, omdat er alweer geen lift is. Hoe zit het nu met de kleren? Even ruiken. O ja, dit is de vuile was. Vooral apart houden van de schone.
Dag in dag uit jakkeren. Soms inderdaad met die blik op oneindig en het verstand op nul. Net doen alsof er op dat moment niets belangrijkers is. En bovendien accepteren dat de televisie in dit wereldje van gesponsord geluk duizend keer belangrijker is dan jij. Dat je als schrijvende journalist op de laatste plaats in de pikorde komt.
Het is een vreemd soort verslaving. Wie één keer deel heeft uitgemaakt van dit doldwaze circus dat Tour de France heet, wie heeft laten zien dat hij het aankan, wil er toch elk jaar weer naartoe. Ondanks de ogenschijnlijk complete chaos. Ondanks de onverantwoorde werktijden. Want in de Tour heb je nooit vrij en ben je altijd bezig. De Tour rijdt altijd door, die wacht op niemand.
Parijs halen is het adagium, het gevleugelde woord. Niet alleen bij de renners, ook bij de journalisten. Mij is het in al die lange jaren één keer overkomen dat ik Parijs niet heb gehaald. Dat was in 1997. Ik beschouw dat nog steeds als de donkerste bladzijde uit mijn journalistieke loopbaan. Het was mijn eigen schuld, ik had beter moeten luisteren. 
Ik ben al ziek als ik uit de Ronde van Zwitserland kom, waar ik altijd heen ga om zo veel mogelijk interviews voor de Tourbijlage van de krant te maken. ‘Een hardnekkige keelontsteking en oververmoeid’, zegt de huisarts. ‘Je moet nodig even rust nemen.’
Rust? Hallo zeg, dat kan nu echt niet! Morgen is het Nederlands kampioenschap, daarna heb ik drie dagen de tijd om zeventien lange interviews uit Zwitserland uit te werken, en dan zit ik al in de auto richting Frankrijk. De Tour is het belangrijkste evenement van het jaar. Ik ben de specialist, de kenner en de krant rekent op mij!
Er is ook niemand die dit zomaar van me kan overnemen, want niet iedereen kan zo’n loodzware reportage aan. Geef me dus maar een paardenmiddel. Over een maand ga ik wel even uitzieken.
Natuurlijk kan er een ander gaan. Niemand is onmisbaar, iedereen is vervangbaar. Maar je maakt jezelf dat zo graag wijs.
Dat paardenmiddel helpt natuurlijk niet als je jezelf als een ezel gedraagt en maar doorgaat. Johan, al vele lange jaren mijn reismakker, schrikt als hij me ziet. Hij is wel wat van mij gewend, maar deze keer zie ik er volgens hem toch echt beroerd uit.
‘Zal ik rijden?’ vraagt hij vriendelijk.
‘Ben je gek! Jij leest kaart, ik rij!’
Ik heb hem in al die jaren maar één keer laten rijden. Tien minuten! Dat was toen we met de Tour de oversteek van Engeland naar Frankrijk moesten maken, in 1994.
Op de boot moeten wij proberen te slapen op zalen met tientallen mensen tegelijk, in van die vliegtuigstoelen. Er wordt gesnurkt, er wordt gerocheld en ik kan daar niet tegen. Dus loop ik onrustig het dek op, waar een collega van de NOS-radio met een fles champagne staat. Samen maken Jeroen en ik die leeg. We bestellen er nog een. En nog een.
Als de zon opkomt zingen Jeroen en ik, nog steeds boven op dat dek, luidkeels een ‘ode aan de zee’. En als we in Normandië van boord moeten gaan en meteen moeten aanschuiven voor al weer een volgende etappe, geef ik de autosleutel aan Johan. Om er binnen tien minuten achter te komen dat het volgens mij toch echt veiliger is als ik dronken achter het stuur zit, in plaats van deze man, die zoals altijd een goede nachtrust genoten heeft maar geen goede autocoureur is.
Hij sputtert niet eens tegen. De rollen in ons duoteam zijn nu eenmaal duidelijk: ik rij en hij leest kaart. 
Ik ben opeens weer nuchter als we even later door Sainte Mere Eglise rijden. Langs de kerk die ik herken van De Langste Dag, de film D-Day. Het was de eerste, grote film die ik als kind samen met mijn vader keek. Op mijn verjaardag kreeg ik van hem bovendien het boek. En mijn vader is dit jaar overleden. Dus ik wil hier echt even stoppen, de Tourkaravaan verlaten en een kaarsje voor hem opsteken.
Johan, meestal iemand die toch zo snel mogelijk naar de perszaal wil rijden, desnoods ver voor de renners uit, begrijpt het. Ik hoef verder niets uit te leggen. Eigenlijk is hij best een goede vriend geworden, denk ik op dat moment, iets wat journalisten onder elkaar niet snel zeggen.
Jaren voor dit intieme moment in de kerk van Sainte Mere Eglise heeft het toeval − dat geen toeval kan zijn, want ik geloof daar niet zo in − ons bij elkaar gebracht. In de Tour mag je niet alleen in een volgauto zitten, dat maakt de toch al veel te lange karavaan alleen maar langer. Je moet combinaties vormen en in zee gaan met landgenoten. Zelfs al werken ze bij een andere krant en ook al zijn het jouw concurrenten, je zoekt het maar uit.

Johan en ik hebben elkaar op die manier gevonden. Een lange, stugge, serieuze Groninger en een vrolijke, extroverte, overgevoelige Limburger. Hoe verzin je het? Hij is de archivaris, ik degene die altijd op de werkvloer wil zijn en met eigen ogen wil zien wat er gebeurt.
Voor de start van de Tour van 1997, waarin hij dus een tweede keer voorstelt om te rijden, deze keer niet omdat ik dronken ben maar gewoon erg ziek, zijn mijn ogen niet zo helder. Ik worstel mezelf van etappe naar etappe. Op advies van Johan zoek ik de Belgische ploegarts van de Rabobank op en vraag hem of hij niets sterks heeft wat me op de been houdt. Geen denken aan. Zijn advies: ‘Ga naar huis, uitzieken en wel meteen!’
Met weemoed denk ik terug aan Jean, in een andere voorgaande Tour. Johan en ik trekken regelmatig met de mannen van de NOS-televisie op. Niets gezelliger dan ’s avonds laat met z’n viertjes na gedane arbeid een goed glas wijn te heffen. Johan, Jean, Mart en ik. Tot die keer dat ik bedank. Dat kan toch niet waar zijn? Wat is er aan de hand met mij, anders zo stevige drinkenbroeder?
Ik ben al dagen aan de diarree. ‘Ach, jongen,’ zegt ‘ome’ Jean, ‘had dat toch eerder gezegd. Kom even mee naar mijn kamer, dan geef ik je iets waar je snel van opknapt.’ Met verbazing kijk ik toe hoe hij even later een koffer vol pilletjes, drankjes en weet ik wat al niet meer opent. ‘Hier kan ik hele pelotons mee in koers houden.’ 
Jean pakt een flesje, laat wat druppeltjes van het spul op een suikerklontje vallen en geeft dat aan mij. Een uur later voel ik mij al een stuk beter. Ik hoef ook niet meer telkens naar de wc te rennen, als ik dat wondermiddeltje maar even blijf slikken. ‘Vijf druppeltjes op een suikerklontje is al genoeg.’
Johan vindt mij in die dagen een wel erg gezellige reisgenoot, alleen ben ik nogal sloom. Dat is hij van zijn altijd hollende en vliegende collega niet gewend. Ik mag best wel wat relaxter zijn, maar zo relaxt is toch wel verdacht.
Stiekem vraagt hij aan Jean wat zijn geheime recept is. ‘Homeopathische druppels cocaïne’, fluistert hij hem in het oor. Als ik Jean daar later een keer op aanspreek reageert hij met een brede lach. ‘Je wilde Parijs toch halen? Nou dan, het is je toch gelukt?’
Inderdaad, die keer wel. Maar nu, als Jean er niet meer bij is en als ook de dokter van de Rabo-ploeg mij niet wil helpen, haal ik Parijs niet. Tijdens de tijdrit zak ik buiten naast de  auto zomaar in elkaar. Iemand sleept mij de perszaal in.
Voordat ik er erg in heb lig ik daar op de grond met een zuurstofmasker op de mond, want ik stik, ik stik echt. De inderhaast opgeroepen arts scheurt mijn hemd open en sluit gelukkig uit dat het een hartinfarct is. Blijkbaar is de virusinfectie die mij al zo lang teistert op mijn luchtwegen geslagen.
Johan zit al die tijd voorovergebogen naast me op de grond, houdt mijn hand vast en praat tegen mij. Ik kan hem amper verstaan. Wel hoor ik nog iemand roepen dat er een helikopter moet komen. Johan bedenkt zich geen moment. Hij laat al zijn spullen achter in de perszaal en blijft bij mij, net zo lang tot ik in goede handen ben.
Hij belt vanuit het ziekenhuis zijn krant en vertelt wat er aan de hand is. Als hij er vandaag niet meer in slaagt om een verhaal over de tijdrit door te sturen weten ze hoe dat komt. Ik weet niet wat ik hoor. Onze verhalen zijn altijd heilig, verzaken doen we nooit. ‘Jij bent nu even belangrijker’, zegt Johan en ik zie een traan bij hem opwellen. Vanaf dat moment noem ik hem altijd ‘mijn beste vriend’.
Een stugge, serieuze Groninger en een extroverte, vrolijke maar overgevoelige Limburger, ‘brothers in arms’. Daar in dat ziekenhuis zie ik opeens hoezeer we in al die jaren naar elkaar toe zijn gegroeid. Ik bedenk dat ik hem al eerder heb zien huilen, in de Tour van 1995.
Vierendertig kilometer duurt in die verschrikkelijke Tour de vijftiende etappe voor Fabio Casartelli, rugnummer 114 van de Motorola-ploeg. Het is net half 11 geweest als door de ronderadio het woordje chûte, valpartij, schalt. Volgauto’s remmen, portieren gaan open, de verwarring is groot. Wie liggen er allemaal bij?
Het peloton is tijdens de beklimming in groepjes uiteengevallen en tijdens de afdaling loopt de snelheid op tot boven de 90 kilometer per uur. Er is iemand in het ravijn gevallen, zo wordt snel duidelijk. Een meter of acht naar beneden roept Dante Rezze om hulp. Twee mensen pakken een touw en halen hem uit het ravijn. Hij wordt de ambulance in gedragen. Hij heeft nog geluk gehad, want zijn val is geremd door een paar struiken.
Pas als Rezze is gered valt op dat er, tussen een ander groepje omstanders, nog steeds iemand op de grond ligt. Fabio Casartelli is met zijn hoofd tegen een van de betonnen paaltjes langs de kant geknald. Hij ligt er grotesk bij. Bloed stroomt vanuit zijn hoofd over het asfalt. Hij wordt gereanimeerd.
Erik Breukink heeft het zien gebeuren en is hevig aangedaan. Hij beseft dan nog niet dat de gil die hij hoorde het laatste geluid is dat Casartelli maakt. Ook Johan Museeuw is betrokken bij de valpartij. Hij zit met een bezeerde knie op de grond, kijkt naar zijn collega en weet eigenlijk al dat hij dood is, maar weigert dat te geloven.
Ten slotte wordt Casartelli de ambulance in gedragen. Die rijdt een klein stukje naar beneden en stopt weer. Op een plek waar nauwelijks ruimte is landt een helikopter. Die brengt Casartelli naar het ziekenhuis in Tarbes.
Ondertussen dendert de Tour door. Richard Virenque, de glorieuze winnaar van deze koninginnenrit, hoort pas op het podium op de top van de Cauterets wat er is gebeurd, dat zijn collega Casartelli is overleden. Maar de populaire Fransman laat zich toch huldigen, alsof er niets aan de hand is.
Terwijl iedereen, en dus ook hij, weet dat Fabio Casartelli is overleden. Pas 24 jaren jong, getrouwd met Annamarie, die nog maar vier maanden eerder is bevallen van zoon Marco. In de perszaal geeft Virenque vervolgens een lange verhandeling over deze voor hem toch zo geslaagde dag.
Hij praat over de verkoudheid die hem parten speelde in de Alpen, waar hij zijn hartslag niet hoger dan 165 slagen per minuut kreeg, over dat hij vandaag in de Pyreneeën die hartslag weer op zijn normale limiet van 185 heeft weten te krijgen. Over dat deze zege nog veel mooier is dan die van vorig jaar en over bla, bla, bla…
De Franse televisie jubelt nog ruim een uur na over de victorie van hun Virenque. Op de uitslagenlijst van die dag staat achter de naam Casartelli alleen het woordje ‘abandon’, uitgevallen. Net als de renners Belli, Rezze, Baldinger, Aguirre, Boscardin, Rojas en Camargo.
Johan en ik kijken elkaar aan, ons ongeloof neemt alleen maar toe. Hallo chauvinistische Fransen, er is hier vandaag in jullie land, in jullie Ronde een wielrenner overleden! Zuchtend duikt Johan in zijn onvolprezen archief om zo veel mogelijk gegevens over Casartelli op te zoeken.
Ik kan even niet meer en loop aan de achterkant naar buiten. Verscholen tussen het groen stroomt een wild riviertje. Het water klettert naar beneden. Een ideaal plekje om tot rust te komen. Ik heb alle tijd, want ik werk voor een middagkrant. Johan niet, dus die moet meteen volop aan de slag en kan niet even een moment van bezinning inlassen.
De volgende dag opent de organiserende krant met een paginagrote foto van winnaar Virenque, met onderin een piepklein portretje van Casartelli. Maar gelukkig is er voor de start van de zestiende etappe toch eventjes die stilte, die zo zwaar en doorzichtig is als kristal.
De ‘pompom-meisjes’ van sponsor Coca-Cola, die Barbiepoppen met hun lege omhulsels, dansen voor deze ene keer niet hun opwindende dansje. Het jazzorkestje dat elke ochtend optreedt houdt de instrumenten ingepakt. Pas de dag na het vreselijke ongeluk dat Fabio Casartelli het leven kostte, komt ook het commerciële circus van de Tour eindelijk voor even tot inkeer.
Tranen hebben meer kracht dan woorden, zo blijkt dan maar weer eens. José de Cauwer pakt de huilende Hennie Kuiper vast, omhelst hem en wrijft over zijn rug. Ooit was De Cauwer de waterdrager van Kuiper. Eens een knecht, altijd een knecht, de wetten van het peloton gelden ook in tijden van groot verdriet.
Als Kuiper, een van de ploegleiders van de overleden Casartelli, even later wordt belaagd door ons journalisten, verwijdert De Cauwer zich stilletjes en barst, als zijn oude meester het niet meer kan zien, zelf in snikken uit.
Nu moet ik aan de slag, zo kort voor mijn deadline nog even vliegensvlug een actueel verhaaltje hierover tikken. Johan hoeft dat niet. Zijn krant ligt al in de schappen. Enkele straten verderop vind ik een pleintje waar het rustig is. Ik doe mijn werk en als ik klaar ben loop ik terug naar het dorpsplein van Tarbes, naar de plek waar de renners al weer vertrokken zijn voor de volgende etappe. Want tja, er moet toch worden gekoerst. De Tour wacht op niemand, en iedereen wil ook dit jaar weer Parijs halen.
Johan komt aanlopen en valt mij snikkend in de armen. Achter hem komt Mart, maar als hij dit tafereel ziet vertraagt hij zijn pas en draait om. Hij laat dit moment voor ons tweeën.
Zwijgend rijden Johan en ik daarna naar Pau, de volgende aankomstplaats. We volgen de koers deze keer voor de televisieschermen van de perszaal en zien hoe de renners zelf gelukkig ingrijpen.
Gianni Bugno werpt zich op als de ‘patron’ van de dag. Hij is de kampioen van Italië, Casartelli was een Italiaan en Bugno neemt zijn verantwoordelijkheid. Niemand mag aanvallen, er wordt in wandeltempo en ‘en groupe’ de hele dag over de laatste Pyreneeëncols gereden. Televisieproducenten vloeken, in Pau staan de sponsors urenlang te knarsetanden. Aan het einde van een lange, loodzware en snikhete dag komt er in datzelfde Pau ten slotte ook een einde aan een even lugubere als indrukwekkende solidariteitsmanifestatie.
Andrea Peron, de kamergenoot van Casartelli, de man ook die namens de ploeg de vrouw van de overleden renner belt en van haar te horen krijgt dat de familie wil dat de Motorola-ploeg in koers blijft, mag als eerste de eindstreep passeren. Met in zijn spoor de teamgenoten Lance Armstrong, Frankie Andreu, Steve Bauer, Alvaro Mejia en Stephen Swart. Het peloton volgt op een gepaste honderd meter afstand.
Een waardig en mooi eerbetoon van de renners zelf. Maar oud-renner Bernard Thevenet, die lid is van de organisatie, noemt de actie van de coureurs een schande. Hij vindt dat ze het publiek hebben bestolen. ‘Het zijn profs en profs moeten hun pijn kunnen verbijten. Dit is belachelijk.’ Maar het zijn de woorden van Thevenet die belachelijk zijn. Zoals ook de euforische zegetocht van Virenque en de geringe aandacht die de Franse krant aan het overlijden van Casartelli besteden, belachelijk zijn.
Gelukkig geeft het peloton de Fransen en de Tourorganisatie een lesje in waardigheid. Johan en ik schrijven dat allemaal goedkeurend op en merken dat we ook door deze gebeurtenis weer een stuk dichter naar elkaar toe zijn gegroeid.
Dat gebeurt trouwens niet alleen in het verdriet, niet alleen bij de dood van Casartelli of tijdens die Tour waarin ik Parijs niet haal, maar ook door alle lol die we samen maken. Tijdens de Ronde van Frankrijk hebben we bijvoorbeeld elk jaar onze eigen Tour de France-hit. Daarmee beginnen we steevast de dag in de auto. Keihard, en uiteraard uit volle borst meezingend. Menige Fransman heeft voor rode stoplichten verbaasd naar die twee rare mannen in de auto naast hem gekeken. We gaan er alleen maar harder door zingen.
En dat terwijl zingen niet bepaald onze sterkste kant is. Dat horen anderen ook als we in het Chinatown van het Canadese Calgary voor het eerst in ons leven kennis maken met het toen in Europa nog onbekende fenomeen karaoke.



Johan moet en zal ook een liedje zingen: ‘Song Sung Blue’ van Neil Diamond. Zo vals heeft de groep nog maar zelden iemand horen zingen, maar Johan trekt zich niets aan van het commentaar. Hij geniet, trekt de schoenen uit − alsof dat helpt − en gaat er nog maar eens goed voor zitten.
 Het is ook heel dankbaar om Johan aan het lachen te maken. Daar komt hij dan bijna niet meer uit. Omstanders denken weleens dat hij aan het stikken is, maar dat is gewoon zijn manier van lachen.
 Soms zullen we ook wel irritant zijn geweest voor anderen. Zoals die keer dat we uit Italië komen en we ons hebben aangeleerd om elk woord op een i te laten eindigen, want dat klink zo lekker Italiaans. Ik ben vanaf dat moment Guidi, we zijn amici en journalisti Olondesi. Het wordt een gimmick die we wel erg ver doorvoeren en lang volhouden. Thuis begrijpen de kinderen hun eigen vader niet meer. Wat is daar nou zo lollig aan?
 ‘Later, als ik groot ben, ga ik een boek schijven over wat ik allemaal meemaak met jou, want jij bent echt niet normaal’, zei Johan altijd. Dat boek komt er niet.
Voor het eerst in vele jaren is Johan zonder mij naar de wielerklassieker Parijs-Roubaix afgereisd. Ik zit op dat moment tot over mijn oren in de privéproblemen en heb besloten om thuis te blijven. Johan probeert me nog over te halen, maar ik leg hem uit waarom hij het voor deze ene keer toch echt zonder mij zal moeten doen.
Die avond, 8 april 2000, krijg ik een telefoontje van collega Peter. Ze zaten te eten in het mij welbekende Hotel Restaurant du Nord van Compiègne, en Johan is zomaar omgevallen, net voordat het hoofdgerecht zou worden opgediend. Ze denken aan een hartinfarct en zijn hem op dat moment aan het reanimeren. Ik ken zijn vriendin het beste van iedereen, dus of ik haar kan bellen?
Voorzichtig probeer ik Ineke uit te leggen wat ik zojuist heb gehoord en ik vraag haar of ik haar zal komen ophalen, nu meteen, om samen naar Frankrijk te rijden.
‘Heb je gedronken?’
‘Ja, vier glazen wijn.’
Het is even stil aan de andere kant van de lijn. ‘Ga eerst maar even slapen, dan rijden we morgen. Dat is wel zo veilig.’


Natuurlijk ga ik niet slapen. Ik schenk juist nog een vijfde glas in en ga naar de telefoon zitten staren. Als die eindelijk rinkelt veer ik toch geschrokken overeind.
Peter: ‘Het is afgelopen, ze hebben niets meer kunnen doen. Hij is dood. Bel jij Ineke?’
Ik kan en wil het gewoon niet geloven, en ik word boos. Johan, je bent pas 53 jaar, wat flik je me nou? Ga je één keer zonder mij op reis en dan ga je gewoon dood. Ik ben degene die rookt. Ik ben degene die zo ongezond leeft en altijd wel wat heeft. Niet jij!
De volgende dag vertrekt het wielerpeloton gewoon naar Roubaix. De koers gaat altijd door. Mart vertelt tijdens de live-uitzending op televisie een prachtig verhaal over die lange uit Groningen. Hij schrijft later die dag ook het verslag dat Johan voor dagblad Trouw had moeten schrijven. Uiteraard een veel te lang verhaal, maar de eindredactie besluit er gelukkig niet in te schrappen.
Op de crematie is iedereen aanwezig. Collega’s uit België, Spanje, Italië, Duitsland en Frankrijk, want al zijn de sportevenementen nog zo groot, het is een kleine wereld.
Ik kan het niet opbrengen om te spreken, ik ben te zeer overmand door emoties. Wel laat ik onze muziek draaien, de liedjes die we elk jaar weer opnieuw uitzochten om onze Tourdag mee te beginnen. Ik probeer me voor te stellen hoe de volgende Tour zal zijn, zonder Johan. Met iemand anders naast me. Ik heb er geen zin meer in. Dan maar geen Tour meer.
Thuis blader ik door de vele columns die hij heeft geschreven en waarin ik regelmatig een rol speelde, omdat er nu eenmaal altijd wel iets aan de hand was met mij. ‘Mijn zeer gewaardeerde collega G.’ word ik dan genoemd. Zijn columns waren altijd kort, compact en prachtig proza.
‘Later, als ik groot ben, ga ik een boek schijven over wat ik allemaal meemaak met jou.’ Elke keer als hij dat zei vertelde hij er wel een verhaaltje bij en dan schoot hij in die hikkende, haast stikkende, maar zo aanstekelijke lach. 
Ik kan niet zo mooi schrijven als jij, maar lieve Johan, dit laatste hoofdstuk is voor jou!